Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (20660.002) Rivierstraat, Zalmstraat & Van Lyndenstraat te Millingen aan de Rijn

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek. Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied/hebben de onderzochte wegtracés een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de periode Laat-Neolithicum en een hoge verwachting voor de perioden vanaf de Bronstijd t/m de Nieuwe tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging binnen de Leuth stroomgordel. Deze stroomgordel was actief van circa 2500 tot 190 voor Chr. (Laat-Neolithicum t/m Late-IJzertijd). Met het ontstaan van de Leuth stroomgordel, en daarmee de vorming van hoger gelegen kronkelwaardruggen, oeverwallen en crevassen, kreeg het plangebied een gunstige ligging voor bewoning. Ook nadat de Rijn de Leuth stroomgordel definitief had verlaten om vervolgens noordelijker te gaan stromen, ter plaatse van de Waal, behielden de oude stroomruggen hun relatief hoge ligging in het landschap. Deze gunstige ligging als bewoningslocatie wordt bevestigd door reeds aangetroffen vondstmateriaal tijdens eerder uitgevoerde prospectieve onderzoeken. Ook een sloopbegeleiding uitgevoerd circa 150 meter ten zuiden van het tracé van de Van Lyndenstraat heeft geresulteerd in het aantreffen van Romeins en inheems aardewerk, echter wel in een verspoelde context.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat de voorlopers van de Rivierstraat, de Zalmstraat en het westelijke deel van de Van Lyndenstraat in ieder geval in de tweede helft van de 18e eeuw reeds aanwezig waren, met hierlangs enkele historische woonerven/woonboerderijen, behorende tot de historische dorps-bewoning van Millingen (aan de Rijn). Verder is het gebied geteisterd door vele dijkdoorbraken, waaronder tijdens de watersnood van 1799. Mogelijk dat ter plaatse van het plangebied een pakket overslagmateriaal/dijkdoorbraakafzettingen is gesedimenteerd en dat er in eerste instantie, tijdens de initiële en meest krachtige fase van de dijkdoorbraak, nog erosie plaatsvond (top op van oudere oeverafzettingen). Hierdoor kunnen eventueel aanwezige archeologische sporen in de oorspronkelijke top van het pakket oeverafzettingen al zijn afgetopt. Historisch kaartmateriaal laat verder zien dat de oostelijke helft van de Van Lynden-straat pas in de eerste helft van de 20e eeuw is ontstaan/aangelegd.

Verder dient er rekening te worden gehouden dat er diverse keren wegvernieuwingen/wegreconstructies hebben plaatsgevonden. Er zijn er al veel nutsvoorzieningen aangelegd (zie kaart 20 met gegevens van de KLIC-melding), met kabels en leidingen vooral onder stoepen tot een diepte van standaard 0,5 tot 1 m -mv, en rioleringstelsels (bestaande vuilwater- en hemelwaterriool) vooral binnen wegtracés tot een diepte van standaard 1,5 tot 2 m -mv.

Resultaten inventariserend veldonderzoek. De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) bevestigen dat binnen de onderzochte wegtracés reeds diepgaande bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd, zeer waarschijnlijk ten gevolge van eerdere wegreconstructies en de aanleg van nutsvoorzieningen (riolering, kabels/leidingen). Hiervoor zijn bredere stroken ontgraven dan alleen de ligging van deze nutsvoorzieningen op basis van gegevens van de KLIC-melding. Tot een diepte van minimaal 75 en maximaal 230 cm -mv bestaat de bodem-opbouw uit cunet-/stabilisatiezand en geroerde/teruggestorte lagen grond. Binnen het merendeel van de onderzochte wegtracés lopen deze lagen door tot ruim voorbij de bovenste meter. Onder het verstoringsniveau zijn (een restant van het pakket) oever-/kronkelwaardafzettingen op beddingafzettingen aanwezig, bestaande uit sterk zandige klei overgaand in kleiig zand en vervolgens matig fijn zand tot zwak grindig, zeer grof zand. Enkele boringen zijn gezet in wat waarschijnlijk kronkelwaardgeulen betreffen. Waar deze zijn aangetroffen in de Rivierstraat en de Zalmstraat, gaat het om humeuze/ietswat venige en verder uiterst siltige klei en een dunne (kortstondig ingespoelde) laag zwak van zwak grindig, matig grof tot zeer grof zand. Binnen de (oostelijke helft van de) Van Lyndenstraat gaat het alleen om een laag uiterst siltige klei. De onderzijde van de kronkelwaardgeul wordt gekenmerkt door een vrij scherpe overgang naar beddingzand.

Restanten van de te verwachten oorspronkelijke ooivaaggrond zijn niet waargenomen in de boringen (geen restanten van een oudere bewerkte bovenlaag/oude bouwvoor met als top een oud maaiveldniveau, dan wel van een verwerings-/verbruinings-Bw-horizont). Ten opzichte van NAP bevindt de onderkant van het geroerde/verstoorde pakket grond zich op een diepte rond circa 11 m +NAP dan wel (enkele decimeters) dieper. Eerder uitgevoerd booronderzoek aan de Heerbaan 169, vrijwel direct ten zuidwesten van het tracé van de Rivierstraat, laat een vrij intacte kalkhoudende ooivaaggrond zien dien zich bevindt tussen circa 12,3 en 11,5 m +NAP (huidige bouwvoor/recent bewerkte bovengrond met hieronder een zwak ontwikkelde verwerings-Bw-horizont van een ooivaaggrond). Voor de nabij gelegen Rivierstraat en het westelijke deel van de Zalmstraat geldt dat verstoringen reiken tot zeker 50 cm in de oorspronkelijke top van de C-horizont en daarmee ruim voorbij het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau. Ook (een) eventueel dieper gelegen/begraven vegetatiehorizont(en) (oudere maaiveldniveau(s)) zijn onder het (moderne) verstoringsniveau verder niet aangetroffen. De aan- of afwezigheid van een afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen, indien deze aanwezig is geweest, kon verder simpelweg niet worden achterhaald, ten gevolgde van de diepgaande verstoringen veroorzaakt door eerdere wegreconstructies en aanleg van nutsvoorzieningen.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat binnen het gehele onderzochte plangebied/de onderzochte wegtracés reeds grootschalige en diepgaande recente bodemingrepen hebben plaatsgevonden en dat hierdoor het archeologisch niveau (potentiële vondstniveau én sporenvlak) volledig is aangetast. Voor het plangebied/de onderzochte wegtracés is dan ook geen sprake meer van een archeologische verwachting.

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Voor het plangebied geldt dat de natuurlijke bodem-opbouw verstoord is tot (veelal ver) voorbij de oorspronkelijke top van de C-horizont. De te verwachten oorspronkelijke ooivaaggrond als (een) eventueel dieper gelegen/begraven vegetatiehorizont(en) (oudere maaiveldniveau(s)) is bij géén van de gezette boringen aangetroffen. De geplande bodemverstorende ingrepen zullen niet resulteren in verstoringen van archeologische waarden, aangezien deze in situ niet meer worden verwacht.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied/de onderzochte wegtracés kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/4R9URX
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/4R9URX
Provenance
Creator Broeke, E.M. ten
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy; Broeke, E.M. ten
Publication Year 2023
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 18535084
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem