Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens werd in het archeologisch bureauonderzoek een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Er kon samengevat gesteld worden dat de landschappelijke ondergrond van het plangebied bestaat uit Afzettingen van het Laagpakket van Walcheren met daaronder mogelijk (restanten van) het Hollandveen Laagpakket, Afzettingen van het Laagpakket van Wormer en dieper Afzettingen van het Laagpakket van Wierden (pleistoceen dekzand).Op de gemeentelijke Maatregelenkaart Laag 4 gold geen verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen uit de Vroege prehistorie tot en met het Midden-Neolithicum, vanwege de verwachte erosie van het niveau (top pleistoceen dekzand) waarop zich vindplaatsen kunnen bevinden. Gezien de diepteligging van dit niveau (vanaf 15 m –NAP) binnen het plangebied is deze verwachting hier overgenomen. Voor het niveau van het Laagpakket van Wormer (Laat-Neolithicum) gold een middelhoge verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen vanwege de toestand van het toenmalige landschap (laaggelegen getijdegebied). Voor de Bronstijd (niveau onderkant Hollandveen) gold een lage verwachting vanwege het natte karakter van het toenmalige landschap en de daar aan gerelateerde afwezigheid van vindplaatsen in het veen in de regio. Voor IJzertijd en Romeinse Tijd, niveau top van het Hollandveen Laagpakket, gold een hoge verwachting vanwege de aangetroffen vondsten in dit niveau in de regio. Voor zowel de verwachtingen voor het Hollandveen Laagpakket als het Laagpakket van Wormer geldt dat deze niveaus mogelijk door mariene erosie (geulwerking) niet meer intact aanwezig zijn. In dat geval vervallen de archeologische verwachtingen. Voor de Vroege Middeleeuwen (niveau Laagpakket van Walcheren) gold een lage verwachting, vanwege het ontbreken van vindplaatsen uit deze periode in de regio en de onzekerheid of de kreekrug van Yerseke in deze periode reeds tot ontwikkeling was gekomen. Voor de Late Middeleeuwen gold een middelhoge verwachting gezien de ligging van het plangebied in de randzone van de kreekrug en het feit dat het gebied in de 12de eeuw voor het eerst werd ingepolderd. Voor de Nieuw Tijd gold vanwege het ontbreken van cartografische referenties voor de aanwezigheid van vindplaatsen een lage verwachting. In het uiterste noorden van het plangebied is in het eerste kwart van de 20ste eeuw bebouwing gelegen.Tijdens het inventariserend veldonderzoek is het opgestelde verwachtingsmodel middels 18 verkennende boringen (tot maximaal 4,50 m –mv) binnen fase 1 en de parkeerzone van het plangebied getoetst. Hierbij dient opgemerkt dat dit veldonderzoek gericht was op het toetsen van de (geologische) verwachting en niet op het opsporen van eventuele vindplaatsen. Op basis van dit booronderzoek kan de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek worden bijgesteld. Uit het booronderzoek blijkt dat binnen het plangebied (fase 1 en de parkeerzone) de ondergrond, bestaat uit diepreikende afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. In geen van de boringen zijn, in tegenstelling tot de verwachte diepte, geen afzettingen van het Hollandveen Laagpakket en/of het Laagpakket van Wormer aangetroffen. Daarmee komen de verwachtingen voor het Laagpakket van Wormer (Midden-Neolithicum) en het Hollandveen Laagpakket (Bronstijd, IJzertijd en Romeinse Tijd) te vervallen. De in de boringen waargenomen beddingafzettingen van het Laagpakket van Walcheren vertonen geen duidelijke overgang naar de bovengelegen wadafzettingen en mogelijke overstromingspakketten. De diepteligging van de zandige beddingafzettingen varieert met name sterk binnen het noordelijke deel van het fase 1. Oorzaak hiervan is de getijdewerking die het gebied vóór de bedijking in de 12de eeuw en bij 16de-eeuwse stormvloeden heeft gekend. Tevens maken de boringen duidelijk dat binnen het plangebied geen hooggelegen kreekrug ontwikkeld is, zoals ter plaatse van de oude kern van Yerseke wel het geval is. In acht boringen (4, 5, 6, 8, 9, 12, 13 en 15) zijn in de natuurlijke kleilaag onder de moderne bouwvoor, tussen 0,31 m +NAP en 0,95 m –NAP (tussen 0,40 en 1,25 m –mv), puinspikkels en soms puinbrokjes waargenomen. Aanwijzingen voor oude bodems, zoals akkerlagen en cultuurlagen, zijn niet waargenomen. Waarschijnlijk zijn de puinfragmentjes hier bij overstromingen van de polder in (delen) van) het plangebied terechtgekomen. Bijgevolg wordt de verwachting op het aantreffen van (goedbewaarde en/of onverstoorde) archeologische vindplaatsen uit de Vroege, Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd binnen het plangebied laag geacht. Boring 18 stuitte op een diepte van 0,20 m –mv op ondoordringbaar puin dat in de 20ste eeuw gedateerd kan worden. Mogelijk betreft het een verharding, maar het kan ook gaan om resten of puin van een gebouw dat op deze plaats is afgebeeld op de Topografische Militaire Kaart van 1916. Op oudere kaarten is op deze locatie geen gebouw weergegeven. Eventueel nog aanwezige gebouwresten uit het einde van de 19de of de 20ste eeuw worden niet als behoudenswaardig beschouwd, gezien de beperkte informatiewaarde die deze zullen bevatten.Uit het inventariserend veldonderzoek blijkt dat binnen fase 1 en de parkeerzone (noordzijde plangebied) alleen nog lage verwachtingen bestaan op het aantreffen van vindplaatsen uit de Vroege en Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Voor de perioden daarvoor (vroege prehistorie t/m Romeinse Tijd) gelden geen verwachtingen meer. Aan de noordzijde van de parkeerzone, ter hoogte van boring 18 (afbeelding 21), kunnen beneden 0,20 m –mv mogelijk resten van bebouwing uit het einde van de 19de/begin 20ste eeuw aanwezig zijn. Deze worden, gezien de beperkte informatiewaarde van dergelijke resten (funderingen) en de recente datering, niet als behoudenswaardig beschouwd.