Eindrapportage archeologisch bureauonderzoek (16498.005) Klaarwaterweg 60-80 en 86-104 te Soest

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt het plangebied ten zuidwesten van de stuwwal van Soest ligt, binnen het lager gelegen deel van een glooiing van hellingafspoelingen/daluitspoelingswaaier en waarop waarschijnlijk nog een dunne laag (gordel)dekzand voorkomt. Door zijn gradiëntsituatie had het plangebied in principe al een gunstige ligging voor jagers-verzamelaars (Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). De grootste dichtheid van vindplaatsen uit deze periode wordt verwacht in zones met veel reliëf (gradiëntsituaties). Daarom werd waarschijnlijk de stuwwal van Soest en de stuwwalrand gezien als meest geschikte tijdelijke bewoningslocatie. Daarom wordt voor het plangebied de verwachting voor de perioden (Laat-)Paleolithicum - Midden-Neolithicum middelhoog geacht.

Voor landbouwers zal het plangebied tijdens het (Laat-)Neolithicum nog een gunstige ligging hebben gehad. Binnen het plangebied was nog sprake van nog goed ontwaterde gronden voor landbouw en met een zandige bodemgesteldheid. Er dient wel rekening te worden gehouden dat gordeldekzandafzettingen voornamelijk bestaan uit leemarm en zwak lemig, fijn zand en betreffen in bodemkundig opzicht meestal mineralogisch armere humuspodzolen. Deze gronden waren daarmee niet zo vruchtbaar, in vergelijking met de ten oosten gelegen stuwwalgronden (waarop ook de Soestereng is ontstaan, als oud bouwlandcomplex). Daarnaast ontstond vanaf het Neolithicum vanuit de lagere delen van het dekzandlandschap hoogveen en breidde zich steeds verder ook, ook in de richting van de lagere delen van de daluitspoelingswaaier. Waarschijnlijk heeft binnen de begrenzing van het plangebied geen hoogveen gelegen, maar reikte wel tot vrij dichtbij het plangebied, op basis van beschikbaar historisch kaartmateriaal. Dit gebied vrijwel direct ten zuidwesten van het plangebied, stond vroeger bekend onder de naam Soesterveen. Het plangebied zal wellicht te maken hebben gehad met periodiek vrij natte bodemcondities, voordat grootschalige ontginning plaatsvond. De hogere delen van de daluitspoelingswaaier als de stuwwal van Soest zullen de meest geschikte gebied hebben gevormd voor het ontplooien van bewoningsactiviteiten. Reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek heeft binnen het onderzoeksgebied tot op heden niet geresulteerd in het aantreffen van vindplaatsen. Ook komen er geen (losse) vondstmeldingen voor in de nabijheid van het plangebied. Op basis van bovenstaande wordt nog een hoge verwachting gegeven voor de periode Laat-Neolithicum en verder voor de perioden Bronstijd t/m Romeinse tijd een middelhoge verwachting.

In de Middeleeuwen verandert het bewoningspatroon. Bewoning concentreert zich in dorpen en bewoningsclusters. Rondom deze dorpen ligt het landbouwareaal dat zorgt voor de voedselvoorziening van de inwoners. Deze moeten ook meer gezocht worden op de enkeerdgronden op en langs de Soestereng, verder ten oosten van het plangebied. Ook vanuit geraadpleegd historisch kaartmateriaal zijn er geen aanwijzingen dat binnen dan wel in omgeving van het plangebied historische erven hebben gelegen. Daarom wordt de verwachting op restanten van bewoningsactiviteiten uit de perioden Middeleeuwen en de Nieuwe tijd laag geacht voor het plangebied.

Conclusie Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk nog archeologische waarden kunnen bevinden. Er geldt een middelhoge verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum t/m Romeinse tijd, uitgezonderd een hoge verwachting voor de periode Laat-Neolithicum. Voor de perioden Middeleeuwen en Nieuwe tijd is de verwachting laag. Wellicht dat binnen (een gedeelte van) het plangebied, afgezien van het reeds bebouwde oppervlak, er al diverse moderne bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd, ten gevolge van de huidige inrichting de woonerven. Op grond van de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen.

Advies Geadviseerd wordt om (in eerste instantie) een aanvullend onderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Gelijkmatig verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet, om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel (mate van intactheid dan wel moderne verstoring van de oorspronkelijke bodemopbouw). Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/45SLMO
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/45SLMO
Provenance
Creator Broeke, ten, E.M.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy; Broeke, E.M. ten
Publication Year 2024
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 11279396
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem