Archeologisch onderzoek plangebied Zuidpolderweg te Muiden, gemeente Gooise Meren

DOI

In opdracht van Waternet heeft Sweco Nederland B.V. een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd naar de locatie Zuidpolderweg te Muiden, gemeente Gooise Meren. De aanleiding voor dit onderzoek is de verwijdering van een bestaande leiding ten noorden van de Zuidpolderweg, de aanleg van nieuwe leidingen parallel ten zuiden van de Zuidpolderweg en de vervanging van het wegdek van de Zuidpolderweg. Verschillende werkzaamheden zullen ten behoeve van de planvorming worden uitgevoerd: • aanleg sleuf ten behoeve van het verwijderen van een bestaande leiding ten noorden van de Zuidpolderweg (lengte circa 890 meter, diepte 100 cm -mv (0,4 - 1 m -NAP) en een breedte van 60 cm). De graafwerkzaamheden vinden hiervoor alleen plaats in vergraven gronden; • aanleg twee sleuven ten behoeve van drie nieuwe leidingen ten zuiden van de Zuidpolderweg (lengte circa 890 meter, diepte 100 cm -mv (0,4 - 1 m -NAP) en een breedte van 60 cm); • aanleg een sleuf voor een nieuwe afvalwaterleiding (lengte circa 130 meter, diepte 100 cm -mv (0,4 - 1 m -NAP) en een breedte van 60 cm); • leiding dwars op de Zuidpolderweg (lengte circa 12 meter; diepte 100 cm -mv (0,4 - 1 m - NAP) en een breedte van 60 cm); • vervanging asfalt wegdek Zuidpolderweg (graafwerkzaamheden minder diep dan 30 cm -mv; circa 5300 m2); • aansluitingspunten nieuw wegdek Zuidpolderweg (graafwerkzaamheden tot circa 50 cm -mv (0,4 m +NAP; twee keer circa 65 m2, in totaal 130 m2).

Het tracé ligt op dekzandafzettingen. In theorie was het dekzand bewoonbaar gedurende de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum. De archeologische verwachting voor de aanwezigheid van resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum is gesteld op middelhoog. Na het Mesolithicum vindt veenvorming plaats. De archeologische verwachting op de aanwezigheid van resten uit de periode Neolithicum – Midden-IJzertijd is zodoende gesteld op laag. Vanaf de Midden-IJzertijd wordt de Vecht actief. Wanneer binnen het tracé gerijpte en intacte oeverafzettingen van de Vecht aanwezig zijn, geldt hiervoor een hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van resten uit de periode Midden-IJzertijd – Late Middeleeuwen (tot de 12e eeuw). De afzettingen van de Vecht worden verwacht vanaf ongeveer 0,8 m -NAP (circa 210 cm -mv). Na het inactief worden van de Vecht in de 12e eeuw vindt weer veenvorming plaats op de afzettingen van de Vecht en neemt de invloed van de Zuiderzee toe. Zodoende is het plangebied vanaf het inactief worden van de Vecht niet aantrekkelijk voor bewoning. In de 13e eeuw wordt het gebied bedijkt (aanleg Muider Zeedijk). Vanaf dan vindt bewoning in de omgeving van het plangebied vooral plaats langs dijken. Het tracé ligt niet langs/op een 13e -eeuwse dijk. Zodoende wordt bewoning binnen het plangebied vanaf het inactief worden van de Vecht niet verwacht. In de 17e eeuw wordt de Naardertrekvaart aangelegd. Het tracé ligt ten zuiden langs de Naardertrekvaart, op de aangelegde dijk. Langs de Naardertrekvaart, ter hoogte van het tracé, ligt geen bebouwing op historische kaarten uit de periode 16e – 19e eeuw. Ter plaatse van het tracé worden daarom geen resten van bebouwing verwacht. Binnen de bodemopbouw worden wel oude dijklagen verwacht. Het archeologische niveau wordt direct onder de bouwvoor verwacht. Het tracé maakte deel uit van historische verdedigingslinies zoals de Nieuwe Hollandse Waterlinie en later de Stelling van Amsterdam. De oorlog-gerelateerde resten die aanwezig kunnen zijn betreffen kazematten, veldversterkingen, duikers en versperringen. De resten zijn waarschijnlijk niet meer zichtbaar aanwezig en de trefkans op dergelijke resten is tevens klein.

Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de hoge verwachting op de aanwezigheid van oude dijklagen uit de Nieuwe Tijd (vanaf de 17e eeuw) bevestigd. Tijdens het booronderzoek zijn ter plaatse van verschillende tracédelen oude dijklagen aangetroffen. De oude dijklagen worden gekenmerkt door de donkergrijze kleur en de aanwezigheid van zand- en kleibrokken en plantenresten. De diepteligging (NAP) van de oude dijklagen varieert sterk, mogelijk veroorzaakt door de aanleg van de recente dijklagen boven de oude dijklagen. Ter plaatse van de boringen 7-11 is deze oude ophogingslaag aangetroffen tussen 25-50 cm -mv (0,2-0,6 m -NAP) en 200 cm -mv (2 m -NAP). Ter plaatse van de boringen 1, 2, 12, 13 en 16 zijn de oude dijklagen aangetroffen vanaf 80-160 cm -mv (0,5-1,5 m -NAP).

Op basis van het veldonderzoek is de archeologische verwachting op de aanwezigheid van resten uit de periode Midden-IJzertijd – Late Middeleeuwen (tot de 12e eeuw) is gesteld op laag (tot de maximaal geboorde diepte van 220-230 cm -mv). De natuurlijke ondergrond bestaat uit veen en kom- en restgeul afzettingen. Binnen de natuurlijke bodemopbouw zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor een bewoonbaar niveau zoals een gerijpte top van de klei of veraard veen. Eventuele diepere archeologische niveaus zijn niet bereikt tijdens het booronderzoek. Zodoende blijft de (middel)hoge verwachting op de aanwezigheid van resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum voor het dekzandniveau gelden. Ook de hoge verwachting op de aanwezigheid van resten uit de periode Midden-IJzertijd – Late Middeleeuwen (tot de 12e eeuw) voor eventuele dieper gelegen intacte oeverafzettingen van de Vecht blijft gelden (dieper dan 220-230 cm -mv).

Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert Sweco om het plangebied vrij te geven voor wat betreft archeologie voor de voorgenomen werkzaamheden. Dit vormt een advies. Het is aan de bevoegde overheid (gemeente Gooise Meren) om een selectiebesluit te nemen over de vrijgave van het plangebied of eventueel vervolgonderzoek.

Hiervoor zijn meerdere argumenten:
• de kenniswinst die kan worden gewonnen door een vervolgonderzoek uit te voeren ter plaatse van de boringen 7 tot en met 11 is beperkt vanwege de aard van de werkzaamheden. De graafwerkzaamheden in onverstoorde grond omvatten namelijk twee sleuven met een breedte van 60 cm en een diepte van 100 cm -mv en een dwarssleuf met een diepte van 100 cm -mv en een breedte van 60 cm. Vanwege de beperkte breedte en diepte van de sleuven is de zichtbaarheid en daarom ook de informatiewaarde beperkt; • de dijklagen zijn ter plaatse van de boringen 7-11 in kaart gebracht tijdens het huidige onderzoek door middel van verkennende boringen. Hierdoor bestaat een goed beeld van de opbouw van de dijk en de verschillende dijklagen. Een eventueel vervolgonderzoek zal een beperkte hoeveelheid aanvullende informatie opleveren in vergelijking met de tot nu toe verzamelde informatie over de opbouw van de dijk; • de omvang van de verstoring van de archeologische waarden, de historische dijklagen, is beperkt. Ondanks de uitvoering van de graafwerkzaamheden zal het archeologische complex grotendeels intact blijven.

Selectieadvies (T. Braun, NMF Erfgoedadvies, 12-01-2026) Het advies van Sweco wordt onderschreven: het plangebied kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen werkzaamheden.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/1N3GYY
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/1N3GYY
Provenance
Creator van Keulen, Fred
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor van Keulen, Fred
Publication Year 2026
Rights CC-BY-SA-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0
OpenAccess true
Contact van Keulen, Fred (Sweco Nederland B.V.)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/pdf
Size 30887857
Version 1.0
Discipline Humanities