Tussen oktober 2012 en juli 2013 werd door Grontmij en Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een Archeologische Begeleiding protocol opgraven uitge-voerd binnen het leidingtracé van de nieuw aangelegde hoofdtransportwaterleiding van Terneu-zen (Gemeente Terneuzen) naar Terhole (Gemeente Hulst). Op basis van het Archeologisch Bu-reauonderzoek werden binnen dit tracé van circa 14 km vier zones afgebakend waarbinnen ar-cheologisch vervolgonderzoek noodzakelijk werd geacht. Daarnaast werden ook nog 4 puntlo-caties geselecteerd op plaatsen waar oude, verdwenen dijken werden verwacht.Bij dit archeologisch onderzoek konden in totaal vier archeologische vindplaatsen worden vastgesteld en gedocumenteerd. Het is echter wel van belang te vermelden dat deze vindplaatsen meestal zijn waargenomen buiten de vooraf aangeduide archeologische zones. De onderzoeken bij de dijklocaties leverde zelfs geen resultaten op. In de overige archeologisch te begeleiden delen werden, behoudens perceelsgreppels die dateren van na de herinpoldering van 1650, geen relevante archeologische sporen aangetroffen.Een eerste vindplaats is te lokaliseren ter hoogte van het toponiem “de Kraag”. Onder de recen-te ploeglaag zijn hier verschillende antropogene (ophoog)lagen, kuilen en greppels waargeno-men. Muurwerk of funderingen zijn niet gevonden, enkel van drie kleine puinconcentraties kon vermoed worden dat het uitgebroken poeren of stiepen van een klein rechthoekig gebouw be-troffen. Op basis van scan van het beperkt aangetroffen aardewerk kan deze vindplaats in de Late Middeleeuwen worden gedateerd. In elk geval is deze vindplaats van vóór de militaire inundatie van deze polder in 1586. Een kaartprojectie op de kaart van Hattinga uit het midden van de 18de eeuw leert ons dat er op deze plek een verhoogde woonplaats heeft gestaan. Wellicht zijn de aangetroffen resten te relateren aan de nederzetting die op deze kaart staat afgebeeld.De tweede vindplaats bevindt zich ten oosten van het Vlaanderenhof, direct ten noorden van de te begeleiden Zone 1. Nadat de teelaarde hier verwijderd was, is een concentratie aan laatmid-deleeuwse fragmenten aardewerk en grofkeramiek waargenomen. Bij nader onderzoek ging het om twee concentraties: een funderingsrestant en een lineaire zone met verspreid puin. Deze resten kunnen geïnterpreteerd worden als de restanten van een kleine schuur of stal. Dit gebouw wordt stratigrafisch gedateerd in de periode voor of na de tweede bedijking van het gebied in 1648, maar wellicht na de inundatie van de polder in 1586. Opvallend is de herbruik van laatmiddeleeuwse baksteen, al dan niet afkomstig van het middeleeuwse Tempelierscomplex of de Hospitaalsite, beide in de directe omgeving van deze vindplaats. Vindplaats 3 bevindt zich in Zone 2 van het onderzoeksgebied. In een vooraf gegraven proef-sleuf werden wellicht middeleeuwse greppels en een (paal)kuil. Op basis van de aard en vorm van de resten kan vermoed worden dat het hier waarschijnlijk landinrichtingssporen en niet zo zeer bewoningssporen betreft. De greppels hadden een water afvoerende functie. Het ontbreken van duidelijk humeus materiaal of laklagen geeft aan dat de greppels vrij snel na gebruik ook weer opgevuld zijn geraakt.Direct ten westen van deze zone werden op het grondstort de resten van een grote bronzen grape gevonden. Deze kookpot met 3 pootjes was opgegraven uit de natuurlijke vulling van een verlande kreek of priel. De kookpot, die te dateren is ergens in de tweede helft 16de eeuw (mogelijk nog vroege 17de eeuw) is gemaakt in de Belgische stad Mechelen en vertoont ver-schillende oude beschadigingen. De vondst van deze kookpot is merkwaardig en zou kunnen kaderen in een ritueel gebruik. Om welk ritueel het gaat of met welk doel dit is gedaan is even-eens onbekend, maar op basis van literatuuronderzoek is wel vast te stellen dat er reeds verschillende van dergelijke potten zijn gevonden in vergelijkbare “natte” contexten. Deze vondsten kunnen in relatie worden gebracht met zeevaart en zouden een bede of offer zijn voor een behouden terugkomst.Tot slot werd ten oosten van de Polderstraat een laatste vindplaats vastgesteld. Onder een laatmiddeleeuws loopniveau zijn een aantal gedempte greppels en een veenwinningskuil gevonden. De meest noordelijke greppels vormen een dubbel greppelsysteem. De combinatie van vlas, els en wilg in de humeuze vullingen van dit greppelsysteem zou een interpretatie als vlasrootput mogelijk maken, maar andere elementen ontkrachten deze interpretatie. In ieder ge-val kan wel, gezien de aanwezigheid van aardewerk en andere archeologische indicatoren, de aanwezigheid van een erf in de directe omgeving van deze greppels worden verwacht.Een zestal meter ten zuidoosten een tweede greppelcombinatie waargenomen, eveneens be-staande uit twee aparte greppels. In eerste instantie werd deze sporen als één samenhangend geheel gezien, maar bij nader stratigrafisch onderzoek bleek dat het hier gaat om een greppel die in een latere fase wellicht is aangepast en is uitgebreid met een aansluitende (drenk)poel of put. Beide sporen zijn net als de meer noordelijke greppels laatmiddeleeuws. Het sporenensemble bij Vindplaats 4 doet sterk het vermoeden rijzen dat hier in de directe omgeving een laatmiddeleeuwse rurale site heeft gelegen. Circa 65 meter ten oosten van de zone met greppelstructuren is bovendien een veenextractiekuil gevonden.