Laagland Archeologie heeft in augustus 2023 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Vissenstraat naast 49A te Apeldoorn. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de nieuwbouw van een bedrijfspand.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Op basis van het bureauonderzoek geldt er landschappelijk gezien een middelhoge archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum tot Vroeg-Neolithicum. Het plangebied was gelegen op dekzandwelvingen in de directe nabijheid van een beek, waarschijnlijk in een beekdal. Mogelijk maakte het plangebied onderdeel uit van een gradiëntzone. Vanwege het latere landbouwkundige gebruik en mogelijk bij de aanleg van het bedrijventerrein is waarschijnlijk enige verstoring van deze doorgaans ondiepe sporen opgetreden. Vanwege de veenoverdekking en het natte terrein is de archeologische verwachting laag voor de periode Midden-Neolithicum tot Bronstijd. De archeologische verwachting is hoog voor de IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen. In de omgeving van het plangebied lag een omgrachte laatmiddeleeuwse zaaltoren. Deze is ongeveer gebouwd toen de omgeving van het plangebied midden-14e eeuw werd ontgonnen. Vanwege het gebruik als heide in de Nieuwe tijd is de archeologische verwachting middelhoog.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Uit het veldonderzoek is gebleken dat het plangebied waarschijnlijk behoorde tot een van oorsprong nat heidegebied (beekdal), dat vrij laat ontgonnen is. Het archeologisch belang hiervan is laag. Bovendien worden eventuele archeologische resten, die nooit helemaal uitgesloten kunnen worden, op een zodanige diepte verwacht dat deze vrijwel niet bedreigd worden door bodemingrepen. De top van het in potentie archeologische niveau ligt op 130 à 160 cm -mv (6,46 à 6,76 m +NAP). Verder geldt bij een lage archeologische verwachting een vrijstelling van 2500 m2. Op het terrein ligt een bestaande parkeerplaats, waaronder infiltratiekratten gelegd worden op 120 cm -mv (6,70 m +NAP) over een oppervlakte van ongeveer 107 m2, het te bebouwen oppervlak wordt 987 m2 en verder worden er verhardingen aangelegd voor de ontsluiting en parkeerplaatsen. Deze verhardingen worden echter veel minder diep aangelegd dan het in potentie archeologische niveau. De vrijstellingsgrens voor de oppervlakte bij een lage archeologische verwachting zal bij de voorliggende plannen niet overschreden worden.Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor het aspect archeologie.Dit advies is overgenomen door de bevoegde overheid, de gemeente Apeldoorn. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, de heer G. Spanjaard.Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).