Ter plaatse van het onderzoeksgebied is een bodemopbouw aangetroffen met een verstoorde/ opgebrachte bovenlaag, op (dekzand-) Afzettingen van de Formatie van Boxtel. Met uitzondering van de noordelijke helft van Proefsleuf nr. 1 was de top van het dekzand opgenomen in het plaggendek of was de top subrecent afgegraven, waarna vervolgens tuingrond was opgebracht. Ter plaatse van de noordelijke helft van Proefsleuf nr. 1 was het dekzand intact. Op het dekzand was daar tevens een ouder plaggendek aanwezig met een maximale dikte van circa 0.3 meter. In deze laag zijn aardewerkfragmenten uit verschillende perioden aangetroffen: fragmenten Kogelpot-aardewerk, Proto-steengoed en Grijsbakkend aardewerk uit de Late Middeleeuwen, maar ook Roodbakkend aardewerk en een pijpfragment uit de Nieuwe Tijd. Het ontstaan van dit plaggendek moet waarschijnlijk worden gedateerd in het begin van de Late Middeleeuwen B.
De bodemopbouw is ter plaatse van deze locatie beter bewaard gebleven omdat de top van het dekzand hier afloopt van 7.50 naar 6.84 meter +NAP en deze daardoor beter was beschermd tegen bodemingrepen. De variatie in bodemopbouw bij het proefsleuvenonderzoek sluit aan op de bevindingen van het booronderzoek waar ook her en der restanten van een podzolbodem werden vastgesteld. Ter plaatse van Proefsleuf nr. 1 en 2 werd onder het dekzand een lichtgrijze zandige leemlaag met roestvlekken aangetroffen. Deze laag is de reden waarom in dit relatief hooggelegen gebied lokaal toch een met water verzadigde bovenlaag aanwezig is: het water kan namelijk niet goed in de ondergrond infiltreren. Deze laag betreft hoogstwaarschijnlijk fluvioperiglaciale Afzettingen van de Formatie van Boxtel. Toch kan niet geheel worden uitgesloten dat het Afzettingen van de Formatie van Waalre betreft.
Er zijn bij het onderzoek in de top van het dekzand 28 archeologische sporen aangetroffen. Dit betrof 17 (moestuin)bedden uit de 19de eeuw ter plaatse van Proefsleuf nr. 3, maar ook ploegsporen, greppels en (paal)kuilen. Eén greppel in Proefsleuf nr. 3 was ouder en werd doorsneden door de moestuinbedden. Dit spoor is hoogstwaarschijnlijk gerelateerd aan de percelering zoals die is weergegeven op de Kadastrale Kaart uit 1811 - 1832. Tijdens het veldonderzoek zijn naast deze 28 archeologische sporen zeer veel recente paalgaten (van tuinhuizen, hekwerk, etc.) en verstoringen aangetroffen. De oudste sporen, vermoedelijk uit de Late Middeleeuwen, zijn aangetroffen ter plaatse van de noordelijke helft van Proefsleuf nr. 1, waar tevens de bodemopbouw het meest intact was. In de top van het dekzand zijn enkele ploegsporen, twee gelijksoortige (paal)kuilen en twee parallelle greppels aangetroffen. De greppels zijn vermoedelijk perceelgreppels die deel hebben uitgemaakt van een groter ingericht cultuurlandschap.
Op basis van de bevindingen en in overleg met de gemeentelijk archeoloog, kort na het uitvoeren van het veldonderzoek, is afgezien van een vervolgonderzoek in het kader van de sloop van de nabijgelegen panden. Er is immers geen behoudenswaardige archeologische vindplaats aangetroffen. Wel is door de gemeente besloten dat, vanwege de intacte bodemopbouw ter plaatse van de noordzijde van Proefsleuf nr. 1, de ondergrondse sloop van het pand Bernhardstraat 2/ 4 moest worden uitgevoerd onder Archeologische Begeleiding van de gemeentelijk archeoloog. Deze begeleiding is uitgevoerd op 8 augustus 2024. De bevindingen van deze begeleiding zijn vastgelegd in een verslag en de meetgegevens zijn aan SOB Research overhandigd zodat deze gegevens in dit rapport konden worden opgenomen. Ondanks de beslissing om geen vervolgonderzoek uit te voeren dient te worden benadrukt dat dit onderzoek geen systematisch aangelegd proefsleuvenonderzoek met een goede dekkingsgraad betreft. De afwezigheid van oudere sporen in de aangelegde sleuven betekent niet dat in de directe omgeving toch archeologische vindplaatsen aanwezig kunnen zijn. Toekomstig archeologisch onderzoek kan dus op basis van de bevindingen van dit onderzoek niet worden afgeschreven. In het algemeen kan de bodem als voldoende intact worden beschouwd en wordt geadviseerd om de archeologische dubbelbestemming voor het omliggende gebied te handhaven.