In opdracht van de gemeente Arnhem heeft ADC ArcheoProjecten een Opgraving, variant archeologische begeleiding uitgevoerd in het Spijkerkwartier in de gemeente Arnhem. Dit plangebied is onderdeel van een groter onderzoeksgebied, dat in fasen wordt gerapporteerd. Dit rapport betreft de archeologische begeleiding ten behoeve van fase 4-6 van de rioolvernieuwing in de Spijkerstraat (vanaf de Kastanjelaan richting de Eusebiusbuitensingel), het Musispark en de
Blekerstraat.De verwachting die op grond van de gemeentelijke beleidsadvieskaart is gesteld, kan op basis van het onderhavige onderzoek slechts ten dele worden bevestigd. Zowel de beleidsadvieskaart als het vooronderzoek stelt dat er een hoge verwachting geldt en er resten kunnen worden verwacht vanaf het Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Er zijn inderdaad sporen uit de Nieuwe tijd aanwezig.
De aangetroffen bodem is echter tot in de C-horizont verstoord geraakt door (sub)recente werkzaamheden, gekenmerkt door een soms wat lossere, soms zeer donkere en/of sterk heterogene (gevlekte) samenstelling van de grond. De verstoring tot in de C-horizont geldt in ieder geval voor werkputten 1, 3 en 4. Dit betekent dat eventueel aanwezige archeologische restanten ook zullen zijn aangetast. Vanwege de afwezigheid van sporen kan helaas niet nader worden
bepaald of deze verstoringen hebben geleid tot de volledige vernietiging van het archeologische archief (door aftopping van het oorspronkelijke bodemprofiel), of dat de locatie in het verleden niet intensief is gebruikt. In werkput 2 is de bodem ook tot in de C-horizont vergraven, alleen heeft dit vermoedelijk in de 17e
eeuw plaats gevonden. De ophogingen zijn waarschijnlijk te relateren aan de aanleg van de nieuwetijdse vestingwerken van de stad Arnhem. De informatie die hieruit gefilterd kan worden is echter zeer beperkt; men heeft in verschillende fasen grond opgeworpen, maar de lagen zijn niet te dateren of nader in (vesting)vorm of functie te duiden. Tijdens voorliggend onderzoek zijn in twee van de vier werkputten sporen aangetroffen. Het betreft een zestal paalkuilen en drie kuilen. In twee sporen is aardewerk aangetroffen, daterend vanaf de 17e eeuw. De sporen zijn ingegraven in de hier waargenomen ophogingspakketten. Deze
ophogingen kunnen samenhangen met het ophogen van het terrein voor de buitenste wal van de vestingwerken, of met de egalisaties voor de aanleg van de singels of tenslotte met het slechten van de vestingwerken in de 19e eeuw. Gezien het weinige aantal scherven kan het hier dus ook opspit betreffen, dat uit de ophogingen in de sporen terecht is gekomen. Of het nu komt door de grote mate van verstoring van de natuurlijke ondergrond, of doordat de locatie in het verleden niet intensief is gebruikt, de conclusie is dat de hoge verwachting voor alle
perioden vanuit het vooronderzoek moet worden bijgesteld, in ieder geval voor werkputten 1, 3 en 4. In werkput 2 zijn ophogingen aangetroffen, waarin sporen zijn ingegraven, maar geen oudere sporen onder deze ophogingen. Dat betekent dat ook hier de hoge verwachting kan worden bijgesteld, in ieder geval voor sporen ouder dan de Nieuwe tijd