In februari en maart 2023 is in opdracht van de gemeente Utrecht door Antea Group een archeologisch onderzoek uitgevoerd binnen het plangebied aan de Verlengde Hoogravenseweg 63 in Utrecht (gemeente Utrecht). Het onderzoek heeft bestaan uit een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven (variant archeologische begeleiding). Aanleiding voor het onderzoek is de archeologische verwachting op het aantreffen van sporen van historische erven en de uitvoering van sanering voorafgaand de herontwikkeling van het plangebied. De eventuele archeologische resten zouden daarbij kunnen worden verstoord. Voor de zuidwestelijke hoek van het gebied gold een hoge verwachting op resten van een boerderij die al sinds de 17e eeuw bekend is.
Aanpak veldwerk
In overleg met het bevoegd gezag is het veldwerk in twee fases uitgevoerd. Eerst is, op 8 februari 2023, door middel van twee proefsleuven de grens van het erf van de historische boerderij opgezocht. Daarmee kon het gebied buiten dat erf worden vrijgegeven van archeologisch onderzoek. Vervolgens is in maart van datzelfde jaar de rest van het gebied dat binnen de grenzen van het voormalige erf viel onder archeologische begeleiding ontgraven. Gedurende de uitvoering van het veldwerk bleek dat de resten niet in situ behouden konden worden, wat de voorkeur had, en dat het daarom noodzakelijk was om het hele terrein te verdiepen tot voorbij het archeologische niveau, en zo de resten ex situ te behouden. Dit is in overeenstemming met het Programma van Eisen (PvE). Uiteindelijk is een gebied van 966 m2 onder archeologische begeleiding ontgraven.
Doel- en vraagstelling
Het doel van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek was in de eerste plaats het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting door middel van het systematisch onderzoeken van het plangebied op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen (karteren). In de tweede plaats diende het onderzoek om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van deze archeologische resten vast te stellen (waarderen). Het onderzoek diende antwoord te geven op de volgende hoofdvraag: Zijn er binnen het onderzoeksgebied één of meer vindplaatsen aanwezig, en zo ja, zijn deze behoudenswaardig? In het vooraf opgestelde Programma van Eisen zijn vervolgens nog diverse inhoudelijke vragen gesteld die daarmee vorm hebben gegeven aan de uitvoering van het veldwerk en de uitwerking van de verzamelde gegevens en vondsten.
Resultaten
Bij de archeologische begeleiding is een erf aangetroffen met daarop twee gebouwen. De zuidelijke boerderij dateert uit de 17e eeuw, de noordelijke boerderij/schuur is van een iets jongere datering, zo rond 1700-1750. Beide gebouwen zijn op een zeker moment gesloopt en herbouwd, en uiteindelijk in 1958/1959 definitief gesloopt. De geschiedenis van het erf kon daarmee ingedeeld worden in vier bewoningsfases, onderscheiden op basis van grote en kleinere verbouwingen en soms zelfs de herbouw van de gebouwen.
De eerste fase gaat terug tot eind 17e eeuw wanneer de zuidelijke boerderij wordt gebouwd. Vermoedelijk betreft het een boerderij met een stenen voorhuis aan de zijde van de Vaartsche Rijn en nog een uit hout opgetrokken deel en stalgedeelte daarachter. Tegelijkertijd staat er ten noorden van de boerderij een kleine schuur waarin mogelijk klein- of jongvee heeft gestaan.
In de 18e eeuw wordt het noordelijke gebouw afgebroken en wordt er een eenvoudige grote schuur gebouwd. Deze schuur heeft mogelijk gediend als tijdelijk onderkomen omdat tegelijkertijd of direct daarna ook de zuidelijke boerderij grotendeels wordt afgebroken. Alleen de kelder en de wand tussen het voorhuis en het stalgedeelte blijft behouden, vermoedelijk vanwege de aanwezigheid van de haard aan de zijde van de woning. Men lijkt waarde te hechten aan deze twee elementen en de omvang en ligging van de nieuwe boerderij wordt daarop afgestemd. De scheiding tussen voorhuis en stalgedeelte wordt nog prominenter en ook de deel en de fundering van de buitenwanden worden nu in baksteen uitgevoerd.
Aan het begin van de 19e eeuw vinden verbouwingen plaats in de zuidelijke boerderij. Zo lijkt het dat er in de deel tegen de scheidingswand met het voorhuis een zomerkeuken wordt gebouwd. Het betreft kleinschalige inpandige verbouwingen waarbij er een keukenfunctie met spoelruimte wordt toegevoegd de bestaande inrichting. De noordelijke boerderij wordt ook gedeeltelijk afgebroken en aan de zijde van de Vaartsche Rijn wordt een stenen voorhuis gebouwd met daarachter meer een stalgedeelte met eveneens een stenen fundering. De ruimte tussen de twee gebouwen wordt vervolgens bestraat zodat er geen zacht of semihard oppervlakte meer tussen de panden is.
Aan het begin van de 20e eeuw wordt de noordelijke boerderij uitgebreid met een extra stuk aan de noordoostzijde van het pand. Over nagenoeg de gehele lengte wordt er een strook gebouw tegen de bestaande constructie gezet. Naast het voorhuis komen twee nieuwe, kleine vertrekken. Parallel aan de deel komt een extra stuk schuur. In de zuidelijke boerderij lijkt de deel haar functie als stal voor vee te verliezen. Er lijkt een vloer over de deel te worden aangebracht en de grup voor het opvangen van de mest wordt aangevuld en afgedekt. Later wordt achter de zuidelijke boerderij de bestrating uitgebreid en wordt mogelijk een verbinding naar de Verlengde Hoogravenseweg aangelegd.
Eind jaren 50 van de 20e eeuw worden de panden een voor een afgebroken en verliest het terrein zijn functie.
Ondanks het streven om de archeologische resten wel op locatie te behouden, bleek tijdens de sanering dat dit toch niet mogelijk was. Daarom is tijdens het onderzoek al in overleg met de afdeling Erfgoed en Monumenten van de gemeente Utrecht afgestemd dat alle resten dienden te worden onderzocht voordat zij in het kader van de sanering zouden worden verwijderd, hetgeen geschiedde. Er resteren geen archeologische resten meer op het terrein.