Dijkversterking Kinderdijk - Schoonhovenseveer, gemeente Molenwaard Dijkversterking Kinderdijk - Schoonhovenseveer, gemeente Molenwaard; archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend v eldonderzoek (verkennende en karterende fase)

DOI

In opdracht van Mourik Groot-Ammers B.V. heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in de periode juni t/m augustus 2014 een aanvullende bureaustudie naar historische bebouwing en een inventariserend veldonderzoek (verkennende en karterende fase) uitgevoerd ten behoeve van het dijkversterkingsproject tussen Kinderdijk en Schoonhovenseveer. Het onderzoek diende te worden uitgevoerd omdat realisatie van de dijkversterking zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische waarden. De basis voor het uitgevoerde inventariserend veldonderzoek betreft een bureaustudie en een Programma van Eisen (PvE) die in 2012 zijn opgesteld (Sprangers & Jansen, 2012; Jansen, 2012).Landschappelijk gezien komen de resultaten grotendeels overeen met wat op basis van het bureauonderzoek werd verwacht: de natuurlijke bodemopbouw bestaat uit oever- op komafzettingen met in de diepere ondergrond rivierduinafzettingen. Een significant verschil is echter de diepteligging van de rivierduinafzettingen. Deze liggen dieper dan op grond van sonderingsgegevens werd verondersteld. De hoge verwachting voor archeologische resten uit het Meso- en Neolithicum op rivierduinafzettingen (nederzettingen) en in het veen (afvallagen) kan dus naar beneden worden bijgesteld. Slechts op één locatie is het rivierduin aangetoond op een diepte van 8,0 m NAP. Deze diepteligging en de verspoelde context van het zand maken de kans op (intacte) archeologische resten zeer klein.Ook de middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen op de oeverwallen of crevasses van de Lek kan naar worden bijgesteld naar laag.Er zijn op of in de afzettingen van de Lek geen archeologische indicatoren aangetroffen om vindplaatsen ouder dan de Nieuwe tijd te vermoeden. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat, indien archeologische resten uit de Nieuwe tijd voorkomen in combinatie met oudere resten, deze doorgaans niet van elkaar te onderscheiden zijn. Ook laatmiddeleeuwse resten onder het huidige dijklichaam zijn op grond van het booronderzoek niet direct uit te sluiten. De hoge tot zeer hoge verwachting voor vindplaatsen uit de Nieuwe tijd kan aan de hand van de onderzoeksresultaten nader worden gespecificeerd. Op grond van aanwezige archeologische indicatoren, de projectie van de boringen op de kadastrale minuut en mate van bodemverstoring zijn 68 vindplaatsen gedefinieerd die te dateren zijn in de Nieuwe tijd. De vindplaatsen zijn gepresenteerd in de vorm van een catalogus (hoofdstuk 4).In eerste instantie wordt geadviseerd geen bodemingrepen uit te voeren op de locatie van de vindplaatsen en te streven naar behoud in situ. Als de mogelijkheid bestaat om de dijk op een andere manier (buitendijks) te versterken, dan heeft planaanpassing de voorkeur. Behoud van de archeologische resten bij een niet-aangepaste uitvoering is namelijk gezien de diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten niet mogelijk.Aangezien planaanpassing van de graafwerkzaamheden zeer beperkt zal zijn, of in dit stadium zelfs niet meer mogelijk is, wordt geadviseerd archeologische resten die tijdens de werkzaamheden bedreigd worden, gelijk te documenten en af te werken en daarmee ex situ te behouden.Gezien de ligging op een dijk en de aanwezige bebouwing, alsmede de vaak beperkte breedte van de ingreep, maakt dat waarderend onderzoek - normaliter uitgevoerd met proefsleuven - niet of nauwelijks uitvoerbaar is. Op kaartbijlage 4 zijn daarom vier advieszones gedefinieerd met de volgende vormen van vervolgonderzoek: Actieve archeologische begeleiding (conform protocol opgraven) Indien een vindplaats direct bedreigd wordt door de voorgenomen graafwerkzaamheden, wordt geadviseerd de werkzaamheden te laten begeleiden conform het protocol opgraven. Een actieve archeologische begeleidding houdt in dat tijdens de graafwerkzaamheden een KNA-archeoloog aanwezig is die eventuele sporen documenteert en vondsten verzamelt. Hiertoe dient de ontgraving op aangeven van de archeoloog laagsgewijs te gebeuren. Bij het aantreffen van archeologische resten dient ruimte gecreëerd te worden om deze bloot te leggen, te tekenen, fotograferen en vondsten te verzamelen. Voor een deel van de vindplaatsen geldt dat de bedreiging met name bestaat uit het plaatsen van palenwanden. Hierbij worden boringen gezet met een avegaarboor met een diameter van 1 m en een hart op hart afstand van de boringen van 1,5 m. Het strekt tot aanbeveling dat de hierbij vrijkomende grond geïnspecteerd kan wordt op de aanwezigheid van archeologisch materiaal. Gezien de beperkte ruimte op de dijk zal de vrijkomende grond in een depot onderzocht dienen te worden. De grond kan onderzocht worden door deze in een laag van maximaal enkele decimeters uit te rijden of te zeven over een mechanische schudzeef. Idealiter wordt de grond laagsgewijs verzameld. Geadviseerd wordt om de verzamelwijze af te stemmen op de wijze van boren. Afspraken hierover dienen vast gelegd te worden in een hiertoe op de stellen Programma van Eisen.Passieve archeologische begeleiding (toezicht met doorstart naar protocol opgraven) De archeologische begeleiding door een (amateur)archeoloog zal bestaan uit inspectie van bodemontsluitingen op het voorkomen van archeologische vondsten, grondsporen en structuren. Hierbij zullen de graafwerkzaamheden zo min mogelijk worden belemmerd. Indien tijdens de begeleiding archeologische waarden worden aangetroffen, zal de amateurarcheoloog direct de archeologische projectleider hiervan op de hoogte stellen. Het couperen van sporen, het vrijleggen van structuren (zoals hout- of muurwerk) en skeletmateriaal en het vrijleggen en bergen van vondsten uit beerputten en dergelijke zijn werkzaamheden die behoren bij een protocol opgraving. Deze werkzaamheden dienen dan ook te worden verricht door een KNA-archeoloog. De werkzaamheden van de (amateur)archeoloog gedurende de passieve begeleiding zijn uitsluitend signalerend van aard. Zowel de actieve als passieve begeleiding dient uitgevoerd te worden conform een door de bevoegde overheid geaccordeerd Programma van Eisen. Indien geen vindplaats is aangetoond, of de vindplaats buiten het bereik van de graafwerkzaamheden ligt, wordt geen nader vervolgonderzoek geadviseerd.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-zve-pzbr
Related Identifier IsCitedBy https://ui.adsabs.harvard.edu/abs/2930
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-zve-pzbr
Provenance
Creator RAAP Archeologisch Adviesbureau
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor R.C.B. Steenbak
Publication Year 2022
Rights DANS Licence; info:eu-repo/semantics/restrictedAccess; https://doi.org/10.17026/fp39-0x58
OpenAccess false
Contact R.C.B. Steenbak (Provincie Noord-Brabant)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/zip; text/plain; application/pdf; application/x-msaccess; text/xml
Size 34650; 8260; 123156; 3031040; 46126; 5725; 830; 1178; 1373; 134692; 25482; 5378; 2362; 1423; 1678; 1831; 2435; 2143; 1216; 1057; 1624; 1902; 1391; 1646964; 1307; 1602; 156481; 1445; 977; 1280; 1577459; 907; 2064; 2963; 980; 39168; 1470; 2019; 2075; 1209; 3613; 2532; 2250; 342094; 512960; 17968223
Version 1.0
Discipline Humanities