In opdracht van NuLelie heeft Sweco Nederland B.V. een archeologisch inventariserend
veldonderzoek verkennende fase uitgevoerd ten behoeve van een nieuwe ondergrondse
middenspanningskabels in meerdere gemeenten in de provincie Fryslân: Smallingerland,
Opsterland, Heerenveen, Leeuwarden en De Fryske Marren (zie bijlage 1). De totale lengte
van het tracé is circa 54 km. Het veldwerk voor dit tracé wordt in delen uitgevoerd. Het tracé
besproken in dit onderzoek is circa 25 km lang.
Op basis van de resultaten van dit bureauonderzoek geldt er voor het plangebied een lage
tot hoge verwachting op archeologische resten vanaf het Laat Paleolithicum tot en met het
Vroeg Neolithicum. De archeologische verwachting is hoog op de hoger gelegen delen
zoals grondmorene ruggen of dekzandruggen en laag voor het getijdengebied in het
noordwesten van het tracé. In het overige gebied is de verwachting middelhoog. Gezien de
vernatting van de regio vanaf het Neolithicum is er een voornamelijk lage verwachting op
resten uit de Bronstijd. Er geldt een middelhoge verwachting voor de hoger gelegen delen
zoals grondmorene ruggen of dekzandruggen. Pas vanaf de IJzertijd zijn er weer tekenen
van menselijke bewoning op het veen en het kleidek van de rivier de Boorne. Hierbij geldt er
een middelhoge verwachting op archeologische resten vanaf de IJzertijd tot en met de
Middeleeuwen. Ter hoogte van de huisterpen en bewoningslinten/dorpen geldt er een hoge
trefkans op het aantreffen op archeologische resten hiervoor. Voor het veengebied geldt er
een lage verwachting voor deze periode. De Kadastrale Minuutplan en overige kaarten laten
zien dat er in de 18de tot de 20ste eeuw vrijwel geen bebouwing aanwezig is in het gebied
van het tracé. Het tracé kruist vrijwel geen historische bebouwing, met uitzondering van de
historische plaatsen Akkrum, Nes, Terherne en Aldeboarne. De archeologische verwachting
voor deze plaatsen is dan ook middelhoog tot hoog voor de Nieuwe tijd. Voor het overige
deel van het tracé is de verwachting laag.
Het veldwerk voor het inventariserende veldonderzoek is verricht op 11 tot en met 15 en
18 augustus 2025. Hierbij zijn 178 handmatige grondboringen verricht met behulp van een
Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een guts van 3 cm. De boringen zijn
uitgevoerd tot 0,3 m in de C-horizont en/of tot een maximale diepte van 2,0 m beneden
maaiveld. De boringen zijn gezet in een lijnsegment om de 50 m.
Het plangebied bestaat voornamelijk uit drie geologische eenheden: van boven naar
beneden klei, veen en dekzand.
Dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden)
Het pleistocene landschap ter hoogte van het plangebied bestaat uit dekzand. Dekzand is
afgezet tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien, zo rond 115.000 jaar geleden. Tijdens dit
toendra klimaat werd er zand als een deken over Nederland afgezet. Het dekzand werd
afgezet over de oudere fluvioperiglaciale smeltwaterafzettingen en ook over de hoger
gelegen keileemruggen. Hierdoor werd het reliëf in het landschap sterk genivelleerd met
hier en daar enkele relatief hogere (gordel)dekzandruggen en kleine dekzandkopjes.
Dekzand is enkel aangetroffen binnen de geboorde diepte in het uiterste oosten en uiterste
westen van het tracé. In het westen is het afgedekt met een veenpakket van gemiddeld
180 cm. In het dekzand is in het westelijke deel van het tracé één deels intacte
podzolbodem aangetroffen. In de overige gevallen lijkt de top verspoeld te zijn. Enkel in
boring 160 is mogelijk een dunne E-horizont aangetroffen. De B-horizont is in veel gevallen
slechts 10 cm dik wat ook een indicatie is dat een deel hiervan verspoeld is geraakt. De
verwachting op archeologische resten uit het Laat Paleolithicum tot en met het Mesolithicum
kan worden bijgesteld naar laag met uitzondering van boring 160 en 165.
Resten van Jagers-verzamelaars bestaan voornamelijk uit tijdelijke kampementen met
vuursteenconcentraties. Deze zijn niet meer intact aan te treffen als de E-horizont afwezig
is. De verwachting op archeologische resten uit het Vroeg Neolithicum blijft gehandhaafd
voor boringen 147, 149, 150, 152, 154, 155, 158, 165 en 166. Gezien de diepteligging van
het tracé is slechts ter hoogte van boring 165 een kans dat archeologische resten in het
dekzand kunnen worden verstoord.
Veen (Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket)
Veen is in een groot deel van het plangebied waargenomen, maar voornamelijk ten oosten
van Aldeboarn, ten noordwesten van Burstum en in het westen van het tracé ter hoogte van
Terherne. De Paleogeografische kaart laat zien dat tussen 3850 v. Chr. en 2750 v.Chr. het
veen op komt. Grote delen van het Pleistocene landschap werden bedekt met veen. Het
veen bestaat voornamelijk uit broekveen en rietveen. De archeologische verwachting voor
het veen is laag.
Klei (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren)
Via de holocene loop van de rivier de Boorne werd bij transgressiefasen, waarbij de zee
soms diep landinwaarts stroomde, zeeklei afgezet over het veengebied. Daarbij werden ook
delen van het veen weggeslagen. Dit is ook te zien in het plangebied: in delen van het
plangebied is er een scherpe overgang van de klei naar het veen. Deze kleiafzettingen
vormde, ten opzichte van veen, een meer solide ondergrond om op te wonen vanaf de
IJzertijd. Met name nabij de voormalig dichtgeslibte rivierbeddingen, een getij-inversierug,
was een geschikte plek voor bewoning. Deze getij-inversieruggen komen steeds hoger in
het landschap te liggen door inklinking van het omringende landschap. Mogelijk
beddingzand van een kreek is aangetroffen in boring 114. Ter hoogte van boringen 72 t/m
93 en 138 t/m 143 zijn er veel zandlaagjes aangetroffen in het kleipakket. Mogelijk gaat het
hier om wad en kwelderafzettingen.
Naast de rijping van de bodem door inklinking vindt er ook ontkalking en uiteindelijk
bodemvorming plaats. Deze drie karakteristieken worden gebruikt voor het bepalen van de
archeologische verwachting. In dit geval wordt er voornamelijk gekeken naar een ontkalkte
en stevige bodem. In totaal wordt in 56 boringen het Laagpakket van Walcheren geraakt
door de voorgenomen werkzaamheden. Hiervan is in boringen 14 t/m 16, 18, 114 t/m 117,
120, 122 t/m 129 en 139 t/m 142 de bodem ontkalkt en stevig. De archeologische
verwachting blijft voor deze boringen behouden. De kans op het aantreffen van
archeologische waarden in de overige boringen wordt laag geacht of deze worden niet
geraakt vanwege de diepte van de ingreep.
Nabij boorpunten 140 en 141 is er mogelijk nog een restant aanwezig van een nederzetting
uit de Late IJzertijd – Midden Romeinse Tijd. In Archis staat dat het gaat om een terrein met
het restant van een overslibde nederzetting waarbij een deel onder het fietspad ligt en een
deel is vergraven door de noordelijke bermsloot. Het restant ligt in het noordelijke perceel
en heeft een omvang van 20 bij 20 meter. De vondstlaag ligt op een diepte van circa 30 cm
en heeft een dikte van 20 cm. Hieronder ligt een pakket veen en kleiplaggen. De
nederzetting is op veen opgeworpen. Tijdens het veldwerk is er geen duidelijk pakket
aangetroffen dat duidelijkheid geeft over de mogelijke aanwezigheid van een vindplaats. Er
zijn verstoorde lagen aangetroffen tot 55 en 60 cm onder maaiveld. In boring 141 is er wel
veen geobserveerd. Maar gezien de kleine grootte van de nederzetting bestaat de kans dat
de boringen deze net gemist hebben. De archeologische verwachting blijft voor deze locatie
behouden.
Terpen
Boring 203 is gezet op een bestaande terp en AMK-terrein (monumentnummer 10195).
Hierbij zijn er mogelijk meerdere terplagen aangetroffen. De onderste laag is aangetroffen
op 100 cm onder maaiveld en bevatte houtskool en dierlijk botmateriaal. In boringen 48 en
49, nabij een bestaand AMK-terrein (monumentnummer 10248), zijn er op 50 en 70 cm
onder maaiveld mogelijk terplagen aangetroffen. Beiden locaties hebben een hoge
archeologische verwachting en zullen door de voorgenomen werkzaamheden worden
verstoord.
Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt voor het
plangebied vervolgonderzoek aanbevolen (zie bijlage 5). Voor het plangebied worden
verschillende vormen van vervolgonderzoek geadviseerd. Deze staan hieronder
weergegeven per landschappelijk gebied en daaronder per gemeente (zie tabel advies
volgende pagina).
Kleigebied (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren)
Geadviseerd wordt om een karterend booronderzoek uit te voeren met behulp van een 3 cm
guts om een archeologische laag op te sporen bij boorpunten 14 t/m 18, 114 t/m 117, 120,
122 t/m 129 en 139 t/m 142. Karterende boringen dienen in een lijnsegment van om de 25
meter te worden gezet en tot maximaal 1,6 m -mv. De uitzondering hierbij zijn boringen 139
t/m 142 nabij AMK-terrein met monumentnummer 8101. Hier dienen de boringen om de
12,5 m te worden gezet.
Mochten er aanwijzingen zijn van een archeologische laag dan kan er met een megaboor
van 12 cm in diameter worden nageboord. Het materiaal dient gezeefd te worden met
behulp van een 4 mm zeef.
Dekzandgebied (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden)
Geadviseerd wordt om een karterend booronderzoek uit te voeren met behulp van een
megaboor (15 cm) ter hoogte van boorpunt 165. De boringen dienen in een lijnsegment van
om de 12,5 m te worden gezet tot ten minste 0,3 m in de C-horizont van het dekzand. Het
materiaal dient gezeefd te worden met behulp van een 3 mm zeef.
Terpen
Geadviseerd wordt om een archeologische begeleiding uit te voeren van het tracé ter
hoogte van boringen 48, 49 en 203. In boringen 48 en 49 zijn er mogelijke resten van de
nabijgelegen terp en AMK-terrein aangetroffen (monumentnummer 10248). Boring 203 is
gezet in een bestaande terp en AMK-terrein (monumentnummer 10195). Voorafgaand aan
het de opgraving – variant archeologische begeleiding dient er een Programma van Eisen
opgesteld te worden en te worden goedgekeurd door de bevoegde overheid.