Tussen 12 en 21 oktober 2021 is een archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P)
uitgevoerd op bouwveld 26 en 27 in de wijk Schuytgraaf. Ten behoeve van de ontwikkeling van de Vinexlocatie 'de Schuytgraaf' zijn vanaf halverwege de jaren ‘90 van de vorige eeuw in en direct rondom het plangebied verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd. Hierbij zijn nederzettingen uit de late ijzertijd en Romeinse tijd, een nederzetting uit de vroege middeleeuwen en grafvelden uit de Romeinse tijd aangetroffen. In het plangebied zijn behoudenswaardige archeologische resten aanwezig.
Het betreft de restanten van een Romeins grafveld in het centrale deel van het
plangebied en aan de noordwestzijde een nederzetting uit de ijzertijd. De ontwikkelingen die gepland staan voor dit gebied, overschrijden de vrijstellingscriteria voor archeologisch onderzoek van deze bijzondere vindplaats. Dit vormde de aanleiding voor het proefsleuvenonderzoek dat er mede op gericht is om de vindplaats te begrenzen.
Bij het huidige onderzoek zijn archeologische sporen aangetroffen. Het betreft twee kringgreppels die als randstructuren van graven uit de laat-Romeinse tijd kunnen worden geïnterpreteerd. Verder zijn er perceels- of afwateringsgreppels uit de Romeinse tijd, middeleeuwen en ook uit de nieuwe tijd gedocumenteerd. Er is een kuil aangetroffen die op zijn laatst stamt uit de volle middeleeuwen, maar mogelijk (veel) ouder is. Er zijn slechts drie paalsporen aangetroffen, soms nog met de restanten van aangepunte paaltjes erin die op basis van 14C-analyse van het hout in de vroege middeleeuwen worden gedateerd, tussen 647 en 827 na Chr. Een andere paalkuil stamt waarschijnlijk van na de late middeleeuwen. Uit de periode van de Tweede Wereldoorlog zijn negen granaatinslagen vastgesteld. Moderne sporen bestaan verder uit drainagesleuven met keramieken buizen erin. De meest recente sporen zijn ondiepe greppels die vlak onder het maaiveld zijn aangetroffen.
De aangetroffen materiaalcategorieën bestaan uit keramiek, keramisch bouwmateriaal, glas, metaal, natuursteen, dierlijk bot en twee houtmonsters. De vondstdichtheid was over het algemeen laag. Van de 444 vondsten zijn er 257 gedeselecteerd. Slechts 51 vondsten zijn afkomstig uit archeologische sporen, de rest is aangetroffen in bodemlagen. De vondsten kunnen tussen de ijzertijd-Romeinse tijd en de moderne tijd worden gedateerd.
Op basis van de aangetroffen sporen en fysisch geografische analyse is een nieuwe
vindplaatsbegrenzing opgesteld (zie afbeelding 7.2.4.1) die enigszins afwijkt van die van de eerdere begrenzing van het AAC. De begrenzing is meer oost-west georiënteerd, terwijl de begrenzing van het AAC voornamelijk noord-zuid georiënteerd was.