Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is een advieskaart opgesteld (Bijlage 13).
Vrijgave is geadviseerd voor de gebieden waar geen archeologische resten worden verwacht of de kans zeer klein is om ze aan te treffen (groen en zwart gearceerde zones). Buiten de zones met een lage verwachting betreft dit de gebieden die aantoonbaar verstoord zijn.
Ter plaatse van de onverstoorde zones met een hoge verwachting (oranje op de advieskaart) wordt vervolgonderzoek geadviseerd. In verband met verhardingen en kabels en leidingen is het op de meeste locaties echter niet mogelijk of te risicovol om verkennende boringen te zetten. Daarom worden de volgende opties voorgesteld:
Het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van profielputten (IVO-O, protocol 4003), gelijktijdig met de proefsleuven in het kader van de kabelwerkzaamheden (zie par. 1.2).
Een archeologische begeleiding van de werkzaamheden binnen de oranje zone conform KNA-protocol 4004 (Opgraven), met als doel om eventuele resten tijdens de werkzaamheden veilig te stellen.
Op één locatie aan de Oldenbarnevelderweg 153 is op basis van reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek een advies afgegeven tot begeleiding van werkzaamheden (rode zones op de advieskaart). Voor deze zone geldt dat gravend onderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding noodzakelijk is. Er zijn hier nog geen proefsleuven gegraven door de opdrachtgever. Deze locatie is meegenomen in het PvE voor de geplande begeleiding.
Het bovenstaande advies betreft geen selectiebesluit, het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in deze de gemeente Barneveld. Ook in de vrijgegeven delen van het tracé bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2024 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Over de bevindingen en aanbevelingen uit dit onderzoek dient contact opgenomen te worden met de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Barneveld.
Aanvulling mei 2026: Het bureauonderzoek was in eerste instantie nooit ter toetsing voorgelegd aan het bevoegd gezag. Na het opstellen van het bureauonderzoek is er door de opdrachtgever zonder begeleiding gegraven in een deel van het tracé vervolgonderzoek geadviseerd was (Figuur. 7). Dit betreft de civiele proefsleuven die zijn gegraven om de ligging van kabels en leidingen in kaart te brengen. In eerste instantie was afgestemd dat Lycens hierbij aanwezig zou zijn ter vervanging van het uit te voeren booronderzoek. Helaas heeft de opdrachtgever door interne miscommunicatie het overgrote deel van de sleuven gegraven zonder begeleiding. Om de bodemopbouw binnen de sleuven in kaart te brengen is verzocht om de genomen foto’s aan te leveren. Bij een groot deel van de foto’s was het bodemprofiel volledig verstoord. Bij andere foto’s was de bodem slechts deels verstoord. Een deel van de profielen was echter niet gedetailleerd genoeg gefotografeerd om de bodemopbouw goed te kunnen beoordelen. Deze tracédelen kunnen daardoor niet op basis van de foto’s vrijgegeven worden. Deze informatie is meegewogen in het algehele advies voor vervolgonderzoek. In Figuur. 8 staat een overzicht van de locaties waar foto’s zijn genomen en welke conclusies op basis van de foto’s getrokken konden worden.
Ten gevolge hiervan is de onderzoeksmethodiek (zoals hierboven beschreven) aangepast, in overleg met de regioarcheoloog. Naar aanleiding van mail- en telefonisch contact in januari is geconcludeerd dat het vervolgonderzoek door middel van extensieve en intensieve begeleiding dient plaats te vinden. Deze conclusie is getrokken omdat de methodiek die in dit bureauonderzoek is geadviseerd door de reeds uitgevoerde graafwerkzaamheden niet meer mogelijk is. De delen van het tracé die in een hoge verwachtingszone liggen dienen door middel van intensieve archeologische begeleiding aangelegd te worden. Hierbij is er permanent een archeoloog bij de werkzaamheden aanwezig. De delen van het tracé die in een middelhoge verwachtingszone liggen dienen door middel van een extensieve archeologische begeleiding aangelegd te worden. Dit houdt in dat de sleuven zonder de aanwezigheid worden aangelegd en op vooraf afgesproken vaste momenten worden gecontroleerd door een archeoloog. Er is dan niet permanent een archeoloog bij de werkzaamheden aanwezig. In bijlage 15 is een kaart opgenomen met de locaties voor de begeleidingen.
Er heeft ook een kleine tracéwijziging plaatsgevonden. Deze wijziging is meegenomen in de kaart met de locaties voor de begeleidingen, en de advieskaart is erop aangepast. Bij de aanpassing van de advieskaart zijn ook de locaties voor de begeleidingen meegenomen. De middelhoge verwachtingsgebieden zijn nu ook meegenomen in het vervolgonderzoek. De conclusies omtrent verstoringen blijven gehandhaafd en zijn ook verwerkt met betrekking tot de methodiek van de locaties die in eerste instantie geselecteerd waren voor vervolgonderzoek.
De aangepast versie van het bureauonderzoek en het advies is in mei 2026 opnieuw voorgelegd aan het bevoegd gezag en beoordeeld door C. van Eijck, regioarcheoloog bij de gemeenten Barneveld, Wageningen en Scherpenzeel. De opmerkingen en voorgestelde aanpassingen die zijn voortgekomen uit deze beoordeling zijn in het bureauonderzoek verwerkt. Voorafgaand aan de start van de archeologische begeleiding wordt een werkplan opgesteld in samenwerking met de uitvoerder van de werkzaamheden zodat het samenspel tussen de archeologische en civiele werkzaamheden soepel verloopt. Bij het aantreffen van behoudenswaardige archeologie wordt deze veiliggesteld, waarna besloten kan worden op te schalen naar een intensieve begeleiding voor aangrenzende gebieden indien dit van toepassing is. Ook in de lage verwachtingsdelen en overige vrijgegeven delen van het tracé bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2024 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Over de bevindingen en aanbevelingen uit dit onderzoek dient contact opgenomen te worden met de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Barneveld.