Laagland Archeologie heeft in februari - maart 2023 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Zuidwending 38 te Veendam. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de sloop van de huidige boerderij ten gunste van nieuwbouw.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003. Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Op basis van de bodemkaart kan worden aangenomen dat ter plaatse van het plangebied dekzand aan het maaiveld ligt. Hierin heeft zich een veldpodzolbodem gevormd. In de nabijheid van het plangebied komen moerige zand- en podzolgronden voor. Tussen 5500 en 3850 voor Chr. (Laat-Mesolithicum – Midden-Neolithicum) raakt het gebied bedekt met een veen. Dit veenpakket kon zich handhaven tot de 17e eeuwse turfwinning. Rond 1832 is bebouwing (een boerderij) aangegeven op een oude kaart. Een begindatering is niet bekend, maar een oorsprong tussen 1700 en 1780 is aannemelijk. De oude boerderij was evenals de huidige op poeren gefundeerd. Die poeren waren waarschijnlijk tot in het dekzand ingegraven. Op de locatie waar nieuwbouw is voorzien staat momenteel een stal, onderdeel van een boerderij die in 1900 is gebouwd.In het plangebied kunnen enerzijds resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Vroeg-Neolithicum (periode van de jagers/verzamelaars) worden verwacht (lage verwachting). Resten uit die periode worden hoofdzakelijk, aangetroffen op kleine dekzandkopjes in beekdalen. Op het AHN lijkt eerder sprake van een gelijkmatige overgang van hoge naar lage gronden, waarbij de Zuidwending min of meer de overgang van hogere naar lagere gronden markeert.Daarnaast kunnen resten uit de Nieuwe Tijd aanwezig zijn. Te verwachten zijn resten van de bebouwing die hier rond 1832 aanwezig was en ook van eventuele voorgangers daarvan vanaf ruwweg 1700. Deze resten komen tot uiting in resten (handgebakken) baksteen, funderingen, uitbraaksleuven, leem, aardewerk en dergelijke. Funderingen van de poeren waren waarschijnlijk tot op het dekzand ingegraven. Sporen hiervan kunnen nog in de dekzandtop worden verwacht. De overige bebouwingresten laten in het archeologische record vaak nauwelijks sporen achter.Daarnaast kunnen sporen van erfinrichting worden verwacht, samenhangend met de boerderijen. Het gaat daarbij om afvalkuilen, bijgebouwtjes en dergelijke. Deze resten zijn te vinden in een eventueel nog aanwezige venige of moerige laag en/of in de dekzandtop. Dergelijke sporen kunnen zich tot grote diepte uitstrekken.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Uit het booronderzoek blijkt dat sprake is van een intact podzolprofiel met daarop veen. De onderzijde van dit veen is nog intact, maar de bovenzijde is meestal vergraven. Op het veenpakket rust een zanddek waarin veel subrecente indicatoren (industrieel baksteen, kolengruis) voorkomen. Een deel van het woongedeelte van de huidige boerderij is onderkelderd. De geplande nieuwbouw overlapt gedeeltelijk met de vermoedelijke locatie van de voorganger van de huidige boerderij. In de bodem kunnen nog funderingsresten (poeren ) van deze voorganger(s) aanwezig zijn. Een deel ervan is vermoedelijk verdwenen met de aanleg van de huidige kelder. Oppervlakkige resten in het opgebrachte zanddek zijn vermoedelijk verdwenen of sterk aangetast. Diepere resten van de funderingen kunnen nog in het veen en de dekzandtop bewaard zijn gebleven. Het archeologisch belang van deze resten is gering, enerzijds doordat alleen resten van diepe sporen worden verwacht en anderzijds omdat de relatief geringe omvang van de nieuwe woning slechts een deel van deze resten zal verstoren. Een deel van die resten is vermoedelijk al verdwenen met de aanleg van een bestaande kelder.We adviseren geen vervolgonderzoek in de vorm van een formeel archeologisch onderzoek. Wel adviseren we amateurarcheologen van de plaatselijke historische vereniging of AWN-werkgroep de gelegenheid te geven waarnemingen te doen tijdens de ontgraving van de bouwkuip.Dit advies is in handen van de bevoegde overheid, de gemeente Veendam. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, N. van der Mei.Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).