De gemeente Venlo is bezig in het plangebied Venlo Trade Port Noord een centrum voor hoogwaardige duurzame (agro)logistiek van Noord-Europese betekenis te ontwikkelen. In opdracht van de gemeente Venlo heeft ADC ArcheoProjecten in 2008 en 2009 op drie locaties in het plangebied een archeologische opgraving uitgevoerd nadat uit vooronderzoek was gebleken dat hier mogelijk resten van enkele middeleeuwse ontginningshoeven aanwezig waren.In het deelgebied TPN II zijn drie locaties aangeduid als de Nieuwe Berkt, De Kawei en de Oude Berkt nader archeologisch onderzocht. Op basis van het archeologische vooronderzoek en de beschikbare historische gegevens werden hier de resten van drie van dergelijke middeleeuwse ontginningsboerderijen vermoed.Tijdens het onderzoek zijn op de locatie van de Nieuwe Berkt, waarvan de oorsprong volgens de bronnen teruggaat tot het eind van de 14e eeuw, inderdaad de resten aangetroffen van een gebouw dat uit deze periode dateert. De oudste vermelding van De Kawei, gelegen aan de westzijde van het plangebied, dateert uit 1509.Tijdens het archeologisch onderzoek werd vastgesteld dat het onderzochte deel van het terrein van De Kawei vermoedelijk tot aan het eind van de 15e eeuw in gebruik was als weide of akker en dat ter plaatse geen sprake was van bebouwing. Gezien genoemde historische vermelding is het opvallend dat slechts een gering aantal sporen is aangetroffen dat in de 16e of 17e eeuw kan worden gedateerd. Het kan echter niet worden uitgesloten dat sporen van de historisch bekende boerderij zich aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie heeft bevonden en dat deze als gevolg van de aspergeteelt volledig zijn verdwenen.De Oude Berkt, gelegen aan de zuidzijde van het plangebied, wordt al in de 15e eeuw in de bronnen genoemd maar de oorsprong dateert zeker al uit de 14e eeuw en waarschijnlijk zelfs al vroeger. Want tijdens het archeologische onderzoek zijn op de locatie twee, elkaar deels overlappende boerderijplattegronden aangetroffen die erop duiden dat de oorsprong van de Oude Berkt mogelijk teruggaat op de 12e of het begin van de 13e eeuw. Na hun ontstaan hebben alle drie de hoeven een wisselvallig bestaan gekend waarbij perioden van (soms kortstondige) bewoning werden afgewisseld door langdurige perioden dat de betreffende percelen waren verlaten.De ligging van de drie vindplaatsen past in het beeld dat de laatste jaren is gevormd van de (post-) middeleeuwse bewoning in het Zuid-Nederlandse dekzandgebied. Zo ligt het terrein van de Nieuwe Berkt op het noordelijke deel van een grotere dekzandrug. Zowel De Kawei als de Oude Berkt zijn gelegen op de flank van een oost-west georiënteerde dekzandrug ten noorden van een dalvormige depressie. Dit past in het algemene beeld dat de bewoning in de loop van de Middeleeuwen naar de lager gelegen flanken van de dekzandruggen verschuift. Onderzoek naar de leemgehaltes van de bodems op de drie onderzoekslocaties heeft uitgewezen dat deze relatief arm zijn en kwetsbaar voor bodemdegradatie. Tijdens het onderzoek kon worden vastgesteld dat op alle drie de terreinen een esdek aanwezig was met een dikte variërend tussen de 40 en 100 cm.Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten kan gesteld worden dat de boerderijen door de tijd heen een wisselend succes kenden. De Oude Berkt en de St. Janshoeve lijken het meest succesvol te zijn geweest. De eerste bebouwing dateert al uit de 12e/13e eeuw. Deze locaties lijken tot in de vorige eeuw min of meer continu in gebruik te zijn geweest, alhoewel ook deze hoeven slechtere jaren en perioden van leegstand hebben gekend. Verder geldt dat de boerderij op beide locaties door de tijd heen niet plaatsvast was. Zo lijkt het terrein van de Oude Berkt al in de 12e eeuw voor agrarische doeleinden in gebruik te worden genomen, maar dateert de eerste bebouwing pas uit de 13e eeuw. In de loop van de 15e eeuw breekt de bewoning vervolgens af en lijkt men zich buiten het onderzoeksgebied te vestigen. Uiteindelijk keert men keert men pas in 18e eeuw op de locatie zelf terug. Ook de resultaten van het onderzoek rond de St. Janshoeve wijzen erop dat huisplaatsen in de Late Middeleeuwen nog in enige mate door het landschap zwierven.Op basis van het uitgevoerde botanische onderzoek kon worden vastgesteld dat bij aanvang van de ontginning sprake was van een open landschap. Op de hogere delen van het dekzandgebied was sprake van heidevelden met restanten loofbos en plaatselijk restanten dennenbos. In de lagere delen zoals de dalvormige depressie aan de zuidzijde van het onderzoeksgebied waren natte graslanden aanwezig. In de meest natte delen gingen deze over in een moerasvegetatie met plaatselijk restanten van een elzenbroekbos. Het riet- en grasland in de lagere delen van het landschap zijn waarschijnlijk als weidegrond en/of hooiland gebruikt, hoewel het vee in deze periode waarschijnlijk ook veel op stal werd gehouden. Door ontginning werden de heidevelden deels omgezet in rogge- en boekweitakkers. Rogge en boekweit werden gedurende de Middeleeuwen veel op voedselarme zandgrond verbouwd. Omdat van iedere periode en ieder terrein slechts een beperkt aantal botanische monsters is onderzocht, blijft het gissen naar de details van roggeverbouw. Wel kan worden opgemerkt dat vooral in de oudste monsters afkomstig uit twee waterputten uit de 13e-14e eeuw veel verschillende onkruiden voorkomen die duiden op de jaarrondteelt van winterrogge. De belangrijkste reden voor het wisselende succes van de ontginningen zijn de geringe bodemvruchtbaarheid en de kwetsbaarheid voor bodemdegradatie. Ondanks het wisselende succes van de verschillende hoeven lijkt de exploitatie van de Oude Berkt aanvankelijk dusdanig succesvol te zijn geweest dat men de hoeve in de 14e eeuw splitst. Meestal is erfdeling de aanleiding om tot splitsing over te gaan.Het plangebied maakte in de Volle Middeleeuwen deel uit van de heerlijkheid Vorst die, tezamen met het Kasteel Gribben, oorspronkelijk aan de Heren van Millen toebehoorden. Laatstgenoemden zullen in de 11e-12e eeuw een belangrijke rol gespeeld hebben bij de start van de ontginning. De kern van deze eerste ontginning lag op de locatie van de Oude Berkt en de zone rondom de St. Janshoeve. Omstreeks 1311 droegen de heren van Millen zowel de heerlijkheid Vorst als het Kasteel Gribben over aan de Graaf van Gelre. In de loop van de 14e eeuw ging het financieel evenwel minder met de heren van Millen gezien het feit dat zij toen de helft van de heerlijkheid verkochten aan de Heren van Baersdonck. Mogelijk dat laatstgenoemden de ontginning van het gebied een nieuwe stimulans gaven. Opvallend is namelijk dat de aanvangsdatering van de boerderij de Nieuwe Berkt in deze periode valt. In 1460 werd vervolgens de halve heerlijkheid Grubbenvorst en het goed Baersdonck beleend aan ridder Godert van Wijlick. Twee jaar later verkochten de erven van Aleidt van Baersdonck vervolgens het goed aan Van Wijlick. Aangenomen wordt wel dat Van Wijlick na de aankoop in 1462 begonnen is met de structurele ontginning van het gebied. Opvallend genoeg vormt juist de tweede helft van de 15e eeuw een breuk in de bewoningsgeschiedenis van twee van de drie locaties. Zo komt de bewoning op zowel het terrein van de Nieuwe Berkt als de Oude Berkt in deze periode tot een eind en verplaatst zich mogelijk naar een locatie buiten het onderzoeksgebied.Het archeologische onderzoek in het plangebied TPN II vormt een goede illustratie van de dikwijls moeilijke omstandigheden waarin de marginale zandgronden rond Venlo werden ontgonnen. Alleen bij zeer gunstige marktomstandigheden slaagden boeren erin om op hun bedrijf het hoofd voor kortere of langere tijd boven water te houden. Het is pas na de introductie van de kunstmest in de 19e eeuw dat het gebied grootschalig werd ontgonnen en permanent in gebruik kon worden genomen.
Een middeleeuwse ontginningsenclave op het zand bij Grubbenvorst
Date Submitted: 2010-11-18
Files not yet migrated to Data Station. For access to these files, please contact DANS at info@dans.knaw.nl.