In opdracht van de familie Veldmeijer heeft RAAP in november 2023 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Dijkweg 4 te Gendringen in de gemeente Oude IJsselstreek. Het onderzoek vond plaats in het kader van een omgevingsvergunning.Het grasperceel aan Dijkweg 4 ligt op oude pleistocene afzettingen van het laagterras. Het plangebied kenmerkt zich door de ligging op een lichtglooiende verhoging in deze vlakte, nabij een voormalige restgeul. Hoewel het oppervlak uit het paleolithicum voor een deel door de stroomgordel van Isselburg- Heelden zal zijn geërodeerd, kunnen in en op de kronkelwaardafzettingen nog resten uit het laatste deel van laat paleolithicum, mesolithicum en vroeg-neolithicum worden verwacht. Ten opzichte van de nabijgelegen rivierloop hadden de oevers een ietwat hogere ligging. Met de nabijgelegen restgeul voorhanden was mogelijk zeer geschikt als (tijdelijke) vestigingsplaats. Door deze relatief gunstige landschappelijke ligging worden in het plangebied ook archeologische resten van bewoning en begraving uit latere periodes verwacht. Dergelijke vindplaatsen zijn over het algemeen 500 - 2.000 m2 in omvang en kenmerken zich door een spreiding van vondstmateriaal. Het beschikbare historisch kaartmateriaal vertoont gedurende de nieuwe tijd geen sporen van bewoning in het plangebied. De latere topografische kaart van 1937 blijkt wel sprake van een tweetal gebouwen, maar op de latere kaart van 1955 zijn deze alweer verdwenen. Op het huidige hoogtemodel in het AHN3 is een nog een lichte verhoging van deze gesloopte bebouwing zichtbaar.Uit het veldonderzoek is gebleken dat in het plangebied sprake is van een relatief dik oeverpakket op kronkelwaardafzettingen. Vanaf ongeveer 35 á 45 cm -mv is nabij boring 1 en 2 sprake van een sterk siltig oeverpakket met aardewerk, verbrand leem en zeer veel spikkels en brokken houtskool. Het aardewerk dateert tussen de late-bronstijd en laat-Romeinse tijd en lag op circa 65 à 70 cm -mv, in een pakket met zeer veel indicatoren. Naar verwachting is er tijdens de uitvoering van het veldonderzoek door een archeologisch spoor geboord. Het sporenniveau is op een licht glooiende natuurlijke verhoging aangetroffen, die tegenwoordig nog zichtbaar is aan het huidig maaiveld. Het perceel loopt geleidelijk aan richting het noorden ongeveer 40 cm omhoog. Aan de west- en zuidzijde van het perceel zijn met name geul- op beddingafzettingen waargenomen. Behalve de kronkelwaardafzettingen zijn tevens nog diepe geulafzettingen van een voormalige doorbraak van de meanderloop aangetroffen.In een groot deel van het afgebakende plangebied wordt, vanwege de lage verwachting, geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Echter blijkt dat in een deel van het plangebied (hoogst) waarschijnlijk archeologische resten worden bedreigd door de voorgenomen bodemingrepen. Met de huidige locatie van de toekomstige paardenbak en geplande bodemingrepen tot een diepte van 50 cm - mv, zal het vondst- en sporenniveau van de aanwezige vindplaats worden verstoord. Daarom wordt geadviseerd om de plannen zodanig aan te passen dat verstoring van de vindplaats wordt voorkomen. Hieronder volgen een tweetal opties voor de geadviseerde planaanpassing.I. Het ophogen van het terrein Met het ophogen van het terrein van de huidige locatie van de paardenbak zal het archeologisch relevante niveau niet worden verstoord. Wanneer boven het archeologische vondst - en spoorniveau een bufferzone van 30 cm wordt gehandhaafd, ligt de maximale verstoringsgrens op 15,0 m +NAP. Op basis van de geplande verstoringsdiepte van 50 cm betekent dit dat het terrein tot tenminste 15,5 m +NAP dient te worden opgehoogd. Op die manier kan de archeologische vindplaats in situ worden bewaard.II. Het verplaatsen van de geplande paardenbak De huidige locatie van de geplande paardenbak doorkruist het oostelijk gelegen archeologisch niveau en het potentiële vondst- en sporenniveau van de vindplaats. Met het verplaatsen van de paardenbak zal het archeologisch relevante niveau niet worden verstoord. Wanneer er tijdens de ontwikkeling buiten de aangegeven grenzen van de periferie en aangeduide kern blijft, zal de archeologische vindplaats in situ worden bewaard.