Inleiding In opdracht van de gemeente Bunnik heeft RAAP van 20 tot en met 22 november 2019 een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van nieuwbouw in de gemeente Bunnik. Binnen het plangebied worden vier huizen gerealiseerd. De bouwvergunning was al afgegeven, toen bleek dat nog archeologisch onderzoek plaats moest vinden. Het PvE voor een proefsleuvenonderzoek was al in 2008 opgesteld. Het onderhavige onderzoek is om die reden uitgevoerd onder het PvE uit 2008, met de toestemming van de projectontwikkelaar die al begonnen was met bouwen. Het voornaamste doel van het onderzoek was het veiligstellen van de wetenschappelijke informatie (behoud ex situ).Landschap Uit het onderzoek is gebleken dat de vindplaats ligt op een relatief hoge oeverwal op de zuid(-west) oever van de Kromme Rijn. Deze oeverwal (vermoedelijk bijna de hele lengte ervan) is vrij intensief bewoond vanaf de ijzertijd. Aan de westkant van het plangebied ligt de flank van de oeverwal. Het vlak loopt daar af. Over een afstand van 30 meter is het hoogteverschil van het sporenvlak minimaal 44 cm. Op de oeverwal ligt een goed ontwikkelde vondstlaag, met veel ijzertijdmateriaal erin. Doordat hier in de tweede bewoningsfase (laat-Romeinse tijd tot vroege middeleeuwen) doorheen is gegraven, is het materiaal gemengd geraakt.Op de top van de oeverwal ligt het sporenvlak op 2,95-3,10 m +NAP (oplopend naar het noordoosten), terwijl aan de westkant het sporenvlak op 2,51 m +NAP ligt. Het vlak is daar aangelegd bovenin de cultuurlaag, vanwege de dieptelimiet van het onderzoek.Van de midden-ijzertijd tot in de vroege middeleeuwen is de ligging van de rivier ongeveer ongewijzigd. Vermoedelijk liep in de ijzertijd al een weg door de nederzetting, ter plaatse van de huidige Singel, parallel ten noordoosten naast de vindplaats. In de loop van de Romeinse tijd verplaatste de hoofdweg zich waarschijnlijk naar het zuidwesten, naar de locatie van de huidige Schoudermantel / N229.Archeologie Op de vindplaats is sprake van twee hoofdfasen waarin bewoning heeft plaatsgevonden: fase 1, de midden tot begin late ijzertijd (4e-3e eeuw voor Chr), en fase 2, de laat-Romeinse tijd-vroege middeleeuwen A (4e-6e eeuw na Chr.). Deze fasen hebben plaatsgevonden op dezelfde plek, maar met een tussenpose van bijna 1000 jaar. Ook in de vroeg-Romeinse tijd hebben mensen vondsten achter gelaten, maar geen van de sporen kan aan deze periode worden toegekend. Ruimtelijk gezien ligt de bewoningskern van deze tussenfase waarschijnlijk meer naar het noordoosten.Uit beide fasen zijn nederzettingssporen aangetroffen. De ijzertijdsporen zijn over het algemeen iets minder goed bewaard gebleven: wat vager, minder diep en lichtgrijs van kleur. De vroegmiddeleeuwse paalsporen daarentegen zijn uitstekend geconserveerd, met een donker-blauwgrijze vulling waar zelfs nog luchtgaten in zitten. Naast paalsporen zijn enkel kuilen onderzocht, maar de meeste grote sporen zijn in situ bewaard.De hoofdmoot van de vondsten bestaat uit handgevormd aardewerk, waarvan een groot deel afkomstig is uit een midden-ijzertijd pottenbakkersoven. Daarnaast is een redelijke hoeveelheid bouwmateriaal gevonden, zowel uit de ijzertijd als uit de Romeinse tijd. Het bouwmateriaal uit deze laatste periode zal in de vroege middeleeuwen, de 5e en 6e eeuw, ook nog zijn (her-) gebruikt. Overige vondstcategorieën zijn metaalvondsten, slakmateriaal (zowel van ijzerbewerking als uit de pottenbakkersoven), natuursteen en dierlijk bot. Enkele kleine stukjes glas zijn geborgen. Over het algemeen is het vondstmateriaal in een goede staat van conservering. Veel materiaal is afkomstig uit de cultuurlaag, een laag met een oorsprong in de ijzertijd, maar waar in de tweede bewoningsfase jonger materiaal doorheen is gemengd. Een bijzondere vondst uit deze context zijn twee botten uit de poot van een wilde kat (waarschijnlijk ijzertijd maar niet zeker).Uit de volksverhuizingstijd zijn een aantal zeer goed geconserveerde sporen aangetroffen. Eén paalspoor bevatte opvallend genoeg de botjes van zeker 16 kikkers, macroresten van gerst, een uiteengevallen glazen object en houtskool. Het houtskool en een kikkerbotje zijn beide gedateerd tussen 412 en 566. De klei in het spoor was heel los van structuur, met luchtgaten erin, een aanwijzing dat het intentioneel is dicht gemaakt.' Aanbevelingen Met deze opgraving is de wetenschappelijke informatie ex situ bewaard, zodat verder archeologisch veldonderzoek niet meer aan de orde is. Dit onderzoek betreft alleen de kruipruimte onder de vier woningen, tot circa 1,07 m –mv (circa 2,93 m +NAP) en tussen de betonnen palen. Daarbuiten en daaronder is de vindplaats in situ behouden.De vindplaats is behoudenswaardig. Maar ook voor de directe omgeving op de oeverwal van Odijk (de Singel en aan weerszijden daarvan), wordt behoud in situ aanbevolen. Archeologische resten worden al vanaf circa 20-30 cm-mv verwacht.