De aanleiding tot het archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO) wordt gevormd door de bestemmingsplanwijziging voor het gebied en de plannen voor de bouw van een agrarisch bedrijf op de onderzoekslocatie. Voorafgaand aan het veldwerk is een bureaustudie verricht. Uit het bureauonderzoek komt naar voren dat het onderzoeksgebied een lage trefkans heeft op archeologische resten vanaf het mesolithicum tot en met de nieuwe tijd. De onderzoekslocatie ligt ingeklemd tussen de huidige loop van de IJssel en een oude zuidelijker gelegen meander. Doordat de rivier zich op deze plaats verlegd heeft, is de kans groot dat oudere resten (mesolithicum tot en met de Romeinse tijd) door erosie verloren zijn gegaan. In de periode hierna was het gebied, afgezien van mogelijke bewoning op de huisterpen, waarschijnlijk niet geschikt voor bewoning en kunnen er vooral losse vondsten worden verwacht.In totaal zijn er in het onderzoeksgebied zestien boringen gezet. De bodemopbouw in het onderzoeksgebied bestaat uit een dun kleipakket (oeverafzettingen) op matig tot zeer grove zandafzettingen (beddingafzettingen). Waarschijnlijk is in het gebied sprake geweest van kleiwinning ten behoeve van baksteenproductie. Hierdoor is de oorspronkelijke bodemopbouw niet meer intact. Van de oeverafzettingen is slechts een dun pakket over (behalve in boring 1). In de boringen en tijdens de veldkartering zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.