Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen Tiny House aan de Visserskade te Hank (gemeente Altena)

DOI

In augustus-september 2021 heeft Antea Group in opdracht van Van Esdonk Duurzaam Advies een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘Tiny House’, gelegen aan de Visserskade1 te Hank, gemeente Altena. Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek en vervolgens uit een verkennend archeologisch booronderzoek (zie bijlage 2). De aanleiding voor het onderzoek is het voornemen van Van Esdonk Duurzaam Advies om een Tiny House te ontwikkelen in het plangebied gelegen langs de Visserskade te Hank. Bij deze ontwikkeling kunnen eventuele, in de ondergrond aanwezige archeologische waarden worden verstoord. Voor het plangebied geldt een onderzoeksplicht conform het beleid van de gemeente Altena, zoals bepaald in het vigerende bestemmingsplan. Het archeologisch onderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure. Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Daar worden vragen bijgesteld zoals bijvoorbeeld: “Waar kunnen we wat verwachten?” Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting, zoals deze op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is opgesteld. Hiervoor wordt er inzicht verkregen in de bodemopbouw en eventueel aanwezige bodemverstoringen binnen het gebied, zodat archeologische verwachting kan worden getoetst. Resultaten bureauonderzoek Op basis van de ligging van het plangebied op een Pleniglaciaal Laagterras, met aan de westzijde een dal, heeft het gebied een (middel)hoge archeologische verwachting op resten uit de steentijd. Het veen dat het gebied daarna heeft overdekt, heeft hoogstwaarschijnlijk ook een beschermede werking gehad op resten uit de steentijd. Vanaf het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen was het gebied te nat om aantrekkelijk te zijn voor bewoning. Bovendien zijn deze afzettingen naar verwachting geërodeerd door de St. Elisabethsvloed. Voor de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen geldt dus een lage verwachting. Vanaf de late middeleeuwen werd het gebied ingepolderd. In de omgeving van het plangebied lag het dorp Heeraartswaarde, maar de precieze ligging is onbekend. Bij de St. Elisabethsvloed verdronk dit dorp en de gehele omgeving. Op basis van onderzoek van De Bont (2007) en Kalisvaart (2009) wordt dit dorp meer ten oosten van het plangebied verwacht. Er geldt derhalve een lage verwachting. Eventuele resten van het verdronken dorp zouden in of onder het Laagpakket van Walcheren verwacht worden. In de 18e of 19e eeuw werd de polder waarin het plangebied gelegen is gevormd. Het plangebied ligt op of tegen een dijk aan, welke deel uitmaakte van de historische bewoningskern van Hank. Op de historische kaarten is geen bebouwing in het plangebied aanwezig. Hierdoor geldt een middelhoge verwachting op resten uit de nieuwe tijd. Resultaten booronderzoek Alle bodemprofielen bestonden van boven naar beneden uit een opgebracht dek (ter ophoging van de dijk of van het perceel), met daaronder kleiige en siltige afzettingen die o.a. werden gekenmerkt door baksteenstukjes en schelpjes in de bodemlaag (Formatie van Naaldwijk, laagpakket van Walcheren), sterk humeuze klei met schelpenbandjes (geen veen; Formatie van Naaldwijk; Laagpakket van Wormer) op een pakket bestaande uit klei, met lagen silt of zand (Formatie van Echteld). Alle bodemprofielen waren volledig kalkrijk. Binnen de Formatie van Echteld zijn er geen begraven oeverwallen van stroomgordels aangetroffen, waardoor de lage archeologische verwachting voor de periode tussen het neolithicum en de vroege middeleeuwen kan worden gehandhaafd. De opvallendste resten die duiden op menselijke activiteit zijn baksteen- en houtskoolstukjes die tijdens de St. Elisabethsvloed zijn afgezet (Laagpakket van Walcheren). Deze baksteen- en houtskoolstukjes zijn waarschijnlijk afkomstig van (gedeeltelijke) verdronken dorpen uit de omgeving van het plangebied. De diepteligging van deze bodemlaag met baksteen- en houtskoolstukjes is tussen +0,5 en -0,6 m NAP. Binnen het plangebied zijn echter geen in situ resten of sporen van een (verdronken) dorp aangetroffen. Daarom kan de lage verwachting voor de periode tussen de late middeleeuwen en nieuwe worden gehandhaafd. Daarnaast was er bij de dijk een ophooglaag aanwezig van ca. 0,8-0,9 m dik (van het maaiveld tot ca. 0,4 m +NAP). Omdat er ook geen (in situ) resten of sporen van bewoning uit de 18e of 19e eeuw zijn aangetroffen, kan de middelhoge tot hoge verwachting voor de nieuwe tijd worden bijgesteld naar laag. Conclusie De bodemopbouw toont aan dat het gebied waarschijnlijk niet geschikt was voor bewoning. Op basis van de gegevens in het bureauonderzoek en de informatie uit het booronderzoek, kan de verwachting voor het plangebied vanaf het neolithicum tot en met de nieuwe tijd worden bijgesteld naar laag.

Op basis van de ligging van het plangebied op een Pleniglaciaal Laagterras, met aan de westzijde een dal, heeft het gebied een (middel)hoge archeologische verwachting op resten uit de steentijd. Het veen dat het gebied daarna heeft overdekt, heeft hoogstwaarschijnlijk ook een beschermede werking gehad op resten uit de steentijd. Deze verwachting blijft behouden. Wel worden deze resten hoogstwaarschijnlijk pas vanaf een diepte vanaf 4 m- mv of dieper verwacht.

Op basis van de geplande ontwikkelingen wordt dit niveau door de graafwerkzaamheden nooit geraakt. Er worden wel zes schroefpalen geplaatst, maar deze zijn van zo’n beperkte omvang dat ook dit niet zorgt voor grootschalige verstoring van dit archeologische niveau.

Het advies van Antea Group is daarom om in het plangebied verder geen archeologisch onderzoek uit te voeren en het gebied vrij te geven voor de geplande ontwikkelingen. Het nemen van een selectiebesluit is aan het bevoegd gezag, in dezen de gemeente Altena. Selectieadvies Op 12-6-2022 heeft de adviseur van het bevoegd aangegeven zich te kunnen vinden in het gegeven advies om het plangebied vrij te geven tot 3,5 m – mv. De waarde-archeologie blijft voor het gebied wel behouden vanaf 3,5 m- mv. Omdat de graafwerkzaamheden niet dieper gaan dan 15 à 30 cm – mv, zullen derhalve geen verstoringen van het onderliggende pleistocene niveau. Er worden wel 6 schroefpalen geplaatst die waarschijnlijk het pleistocene niveau bereiken, maar vanwege de zeer kleine verstoringsomvang zal het niet zorgen voor buitensporige verstoring.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/BUNVGB
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/BUNVGB
Provenance
Creator Looveren, Van V.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Colijn, J.E.
Publication Year 2022
Rights CC-BY-NC-SA-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by-nc-sa/4.0
OpenAccess true
Contact Colijn, J.E. (Antea Group BV)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/pdf
Size 8151500
Version 1.1
Discipline Humanities