Gespecificeerde archeologische verwachtingOp basis van de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied binnen het dekzandlandschap van het Oost-Nederlandse Plateau ligt, waar het aanwezige microreliëf afwisselingen vormen tussen dekzandvlaktes/-laagten, afvoerloze depressies met beekafzettingen, dek-zandwelvingen en enkele dekzandruggen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat het oorspronkelijk meanderende/kronkelende beekdal van de (oude) Slinge door het zuidelijke/zuidoostelijke deel van het plangebied liep. Tevens had het een meer zuidwestelijke ligging ten opzichte van de huidige, gekanaliseerde loop van de Groenlosche Slinge, welke door het gehele plangebied loopt. Het merendeel van de oppervlakte van het plangebied kan gerekend worden tot het gebied van dekzandvlaktes/-laagten en afvoerloze depressies. Vanaf het Laat-Paleolithicum werden, naast de hogere dekzandruggen en -koppen, ook wel de dekzandwelvingen gebruikt als (tijdelijke) woonplaats, begraafplaats en/of akkerland. De meeste voorkeur zal dus zijn uitgegaan naar de hogere dekzandruggen en -koppen als (tijdelijke) bewoningslocatie, maar ook de dekzandwelvingen waren hiervoor waarschijnlijk voldoende geschikt, zeker wanneer deze gelegen waren langs een actief beekdal. Dekzandvlaktes/-laagten en afvoerloze depressies waren in mindere mate geschikt, zo niet ongeschikt als (tijdelijke) bewoningslocatie. Hier was in het verleden veelal sprake van (zeer) natte/moerasachtige condities. Het geraadpleegde historisch kaartmateriaal laat verder zien dat het landschap in de 19e en 20e eeuw sterk is aangepast door de mens, met name de lopen van beekdalen. De beeklopen van de Groenlosche Slinge, de Beurzerbeek die hierop aansluit in het noordwestelijke deel van het plangebied, als de Leurdijksebeek in het zuidwestelijke deel van het plangebied, zijn gedurende de laatste twee eeuwen meerdere keren aangepast en steeds verder rechtgetrokken. Op enkele terreindelen/agrarische percelen, met name de dekzandruggen/-koppen, wordt een plaggendek verwacht. Plaggenbemesting heeft op basis van historisch kaartmateriaal in ieder geval al plaatsgevonden vanaf de tweede helft van de 18e eeuw, maar waarschijnlijk al eerder. In de directe omgeving van het totale plangebied zijn tot op heden voornamelijk prospectieve onderzoeken uitgevoerd en hebben veelal geleid tot vrijgave van de onderzochte terreinen. Enkele archeologische vondsten zijn wel gedaan tijdens zandwinningswerkzaamheden ter plaatse van het huidige recreatiegebied ’t Hilgelo, ten oosten van het centrale deel van het plangebied. Aangrenzend ten zuidoosten van de meest zuidoostelijke begrenzing van het plangebied zijn wel door middel van een bureau-, geofysisch en booronderzoek de restanten aangetoond van de laatmiddeleeuwse burcht Ravenhorst, waar vervolgens in de 16e/17e eeuw de havezate Ravenhorst is ontstaan. Ter plaatse van het naastgelegen beekdal van de (Groenlosche) Slinge moet ook een watermolen hebben gestaan, welke bekend is vanaf in ieder geval de eerste helft van de 17e eeuw. (Deels) binnen de begrenzing van het totale plangebied liggen nog een aantal historische boerderijlocaties, welke tevens te herleiden zijn op historisch kaartmateriaal uit de 19e eeuw. In het centrale deel van het plangebied gaat het om twee boerderijlocaties waarvan verwacht wordt dat deze een vroegmiddeleeuwse voorsprong hebben. In het zuidelijke deel van het plangebied liggen een viertal Nieuwe tijdse boerderijlocaties.Op basis van bovenstaande uitgangspunten en conform de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Winterswijk, wordt de trefkans op de aanwezigheid van archeologische resten voor de perioden Laat-Paleolithicum t/m Middeleeuwen middelhoog tot hoog geacht voor dekzandwelvingen en -ruggen/-koppen en laag voor dekzandvlaktes/-laagten en afvoerloze depressies. Wel wordt verwacht dat er met name in het noordwestelijke en centrale deel van het totale plangebied terreinen liggen waar sprake is van een vergraven grond (> 40 cm verstoord bodemprofiel), wat ervoor gezorgd heeft dat eventueel voorheen aanwezige archeologische waarden zijn aangepast of zo niet al geheel zijn vernietigd. Wel betreffen dit veelal terreinen waarvoor al een lage archeologische verwachting geldt (dekzandvlakten/-laagten). Specifiek voor de uitbreidingslocatie aan de oostzijde van het RWZI-terrein Winterswijk (concrete plannen) geldt een lage tot middelhoge verwachting, op grond van de landschappelijke ligging deels binnen een dekzandvlakte/-laagte (noordelijke deel) en deels binnen een dekzandwelving (zuidelijke deel). Verder hebben de historische boerderijlocaties (met hun 100 meter attentiezone) binnen het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van resten en sporen uit de perioden Middeleeuwen en Nieuwe tijd.Conclusie en adviesHet bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Het concrete plan betreft de uitbreiding van het RWZI-terrein Winterswijk aan de oostzijde, in de vorm van het aanleggen/bouwen van een bezinkbassin met een oppervlakte van circa 1.000 m2 en binnen een terrein waarvoor een lage archeologische verwachting geldt. Op basis van de beperkte oppervlakte van deze uitbreiding wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Mocht er gekozen worden voor de uitbreiding van de bezinkbassin met een oppervlakte van circa 4.200 m2, is het advies hier wel een vervolgonderzoek te laten uitvoeren (op grond van de oppervlakte). Aan de zuidzijde van het RWZI-terrein Winterswijk betreft het concrete plan het aanleggen/bouwen van een influentbuffer met een oppervlakte van circa 1.965 m2, binnen een terrein waarvoor een middelhoge archeologische verwachting geldt. Op basis van de oppervlakte van deze uitbreiding wordt geadviseerd hier een vervolgonderzoek te laten uitvoeren.In beide gevallen waarbij vervolgonderzoek noodzakelijk is, is het advies om het vervolgonderzoek uit te laten voeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen en direct in de vorm van een gecombineerd verkennende en karterende fase (megaboringen met Edelmanboor diameter 15 cm). Door middel van het zetten van deze boringen kan 1) zowel het gespecificeerde verwachtingsmodel worden aangevuld/getoetst, 2) er een beter inzicht/betrouwbaar beeld worden verkregen van de opbouw en mate van gaafheid van de oorspronkelijke bodemopbouw en 3) bepaald worden of vegetatie- en/of cultuurlagen aan-/afwezig zijn. Daar waar sprake is van een (deels) intact profiel dient de laag waarin archeologische indicatoren kunnen worden verwacht te worden gezeefd met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Het zeefresidu dient te worden geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc.Afhankelijk van de resultaten van het gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek bestaat de mogelijkheid dat er, wanneer er archeologische indicatoren worden aangetroffen, nog een archeologisch vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd.
Date Accepted: 19-10-2021
Date Accepted: 2021-10-19