Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (22242.001) Burgemeester Langmanweg 4-6 te Zelhem

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit alle archeologische perioden vanaf het (Laat) Paleolithicum t/m de Middeleeuwen. Deze verwachting is vooral gebaseerd op de ligging van het plangebied binnen een dekzand-plateau. Voor zowel Jagers en verzamelaars en zeker voor Landbouwers vormde deze landschappelijke eenheid een geschikte (tijdelijke) nederzettingslocatie. Het dekzandplateau beslaat een groot gebied en bood meer dan voldoende areaal aan goed ontwaterde gronden voor landbouw. Het plangebied ligt ook middenin de voormalige Zelhemsche Enk (oud bouwland dat rondom/direct ten zuiden/zuidoosten van de historische kern van Zelhem lag) en is voor lange tijd in agrarisch gebruik gebleven. In de omgeving van het plangebied en binnen de Zelhemse enk zijn al een veelvoud aan archeologische onderzoeken uitgevoerd en zijn ook al diverse vindplaatsen aangetroffen. Deze vindplaatsen geven aan dat de Zelhemsche Enk al rond 1000 v. Chr. bewoond is geweest. Het betreffen over het algemeen nederzettingsterreinen daterend vanaf de Bronstijd, maar vooral uit de Vroege en Late Middeleeuwen, daar waar sprake is van terreinen met nog intacte bodemprofielen en een (dik) plaggendek.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) laten zien dat binnen het merendeel van het plangebied recente/moderne bodemverstorende ingrepen vrij beperkt zijn gebleven/er sprake is van een intacte bodemopbouw. Onder de moderne klinker-/stelconverharding, halfverhardingslaag van gebroken puin dan wel verhardingslaag van asfaltgranulaat, komt nog een (resterend deel van een oorspronkelijk) dik plaggendek voor. Tussen circa 70 en 85 cm -mv is vaak een enigszins vaal gekleurd, zwak humeuze zandlaag aangetroffen. Of het betreft het onderste deel van het plaggendek, of mogelijk gaat het om een fossiele/oude akkerlaag. Van het van nature gevormde bodemprofiel is meestal een restant van de verwerings-/verbruinings-Bws-horizont met hieronder de overgangs-BC-horizont of direct de overgangs-BC-horizont aanwezig van een holtpodzolbodem. De overgang naar de C-horizont bevindt zich op een diepte van gemiddeld 115 cm -mv. De aangetroffen bodemopbouw bevestigt de aanwezigheid van de op basis van het bureauonderzoek verwachte hoge zwarte enkeerdgrond. Het archeologisch potentiële sporenniveau is binnen het merendeel van het plangebied nog intact aanwezig, ook binnen het voorheen bebouwde oppervlak (voormalige bedrijfswoning met loodsen in het zuidwestelijke deel van het plangebied en de omvangrijke loodsen in de oostelijke helft van het plangebied). Archeologische sporen, indien aanwezig kunnen direct onder het plaggendek worden aangetroffen en bewaard zijn gebleven in het resterende deel van de van nature gevormde holtpodzolbodem/bruine bosgrond. Archeologische sporen zullen meest zichtbaar zijn in de BC-horizont en op de overgang naar de C-horizont, op een diepte tussen circa 85 en 115 cm -mv.

Een (vrij) diepgaande verstoorde bodemopbouw is aangetroffen ter plaatse van de boringen 13 t/m 16 en 18 t/m 21. Hier komen onder de moderne verharding/halfverhardingslaag van gebroken puin geroerde/verstoorde lagen grond voor. Zeker de lagen van humeus zand vermengd met “geel” zand van zeer waarschijnlijk de oorspronkelijke C-horizont, duidt op uitgegraven en navolgend teruggeplaatste grond, waardoor deze vermenging is ontstaan. Door de ligging van deze boringen kunnen begrensde terreindelen worden aangegeven (zie kaart 18) waar het archeologisch potentiële sporenniveau merendeels, zo niet geheel is verstoord door moderne bodemingrepen.

Enkele verspitte Nieuwe tijd resten (17e tot 20e eeuw) zijn aangetroffen veelal in het bovenste deel van het plaggendek, als voormalige bouwvoor ten tijde van agrarisch gebruik van het plangebied. Juist van belang zijn aangetroffen (kleine) hard gebakken dunwandige fragmenten kogelpotaardewerk en/of blauwgrijs aardewerk (12e of 13e eeuw) en kleine fragmenten houtskool in het plaggendek en de onderkant van het plaggendek (de laatste welke mogelijk ook een fossiele/oude akkerlaag kan zijn). Dit kan duiden op laatmiddeleeuwse menselijke bewoningsactiviteiten, welke binnen de begrenzing dan wel in de directe omgeving van het plangebied hebben plaatsgevonden. Nederzettingscomplexen/huisplaatsen uit de Late-Middeleeuwen zijn reeds op meerdere locaties binnen de Zelhemsche Enk aangetroffen, erop duidend dat gedurende de Late-Middeleeuwen dit gebied relatief intensief werd bewoond. Uitsluitsel over de aanwezigheid van bewoningssporen uit de periode 12e of 13e eeuw binnen de begrenzing van het plangebied, dient te worden bepaald middels proefsleuvenonderzoek.

Conclusie Op basis van de geleverde onderzoeksinspanning, de daarbij waargenomen intacte bodemopbouw binnen het merendeel van het plangebied en de daarbij aangetroffen archeologisch relevante indicatoren (zei het in beperkte mate), wordt geconcludeerd dat de kans reëel blijft voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats binnen het plangebied. Archeologische bewoningssporen worden verwacht in en direct onder het plaggendek dan wel de fossiele/oude akkerlaag, op een diepte vanaf circa 85 cm -mv. Door de voorgenomen ingreep (nieuwbouw van bedrijfsbebouwing) zal een mogelijk aanwezige archeologische vindplaats dan ook worden verstoord.

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het centraal-noordelijke tot noordoostelijke deel en het centraal-zuidelijke tot zuidwestelijke deel van het plangebied (zie kaart 18), een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Behoud van een mogelijk aanwezige archeologische vindplaats zal niet mogelijk zijn bij een niet aangepaste uitvoering van de huidige plannen. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek. Het doel hiervan dient te zijn de intactheid, spreiding, diepte en mate van verstoring van archeologisch kansrijke niveaus in kaart te brengen en op basis daarvan inzichtelijk te maken wat de consequenties zijn van de voorgenomen plannen op mogelijke archeologische resten.

Voor het proefsleuvenonderzoek (IVO-P) dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE dient te worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Bronckhorst).

Behoud in situ van een mogelijk aanwezige archeologische vindplaats is alleen maar mogelijk als bodemingrepen niet dieper gaan dan circa 40 cm minus huidig maaiveld. Er dient een dikte van circa 20/30 cm van het plaggendek behouden te blijven als bufferzone en conserveringslaag van het onderliggende potentiële archeologisch sporenniveau, dat direct onder het plaggendek/de fossiele/oude akkerlaag nog merendeels intact wordt verwacht. Door de initiatiefnemer dient bepaald te worden of het economisch rendabel is om het inrichtingsplan zo aan te passen dat toekomstige graafwerkzaamheden voor de nieuwbouw niet dieper gaan dan 40 cm minus huidig maaiveld. Dit geldt dan ook voor de aanleg van kabels en leidingen.

Alleen voor de centraal0oostelijke strook en het noordwestelijke deel van het plangebied (zie kaart 18) wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Door de waargenomen vrij diepgaande verstoringen zullen archeologische resten niet meer in situ aanwezig zijn en is het archeologisch potentiële sporenniveau merendeels, zo niet geheel verstoord.

Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bronckhorst, en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door mevrouw A. Lugtigheid-Hendriks, d.d. 11 juli 2023, zaaknummer 2023EA0917). Met boven-staand advies is ingestemd.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. Ten aanzien van de centraal-oostelijke strook en het noordwestelijke deel van het plangebied kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden hier toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Het is raadzaam om ook de gemeente Bronkhorst op de hoogte te stellen.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/EZWURR
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/EZWURR
Provenance
Creator Broeke, ten, E.M.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy; Broeke, E.M. ten
Publication Year 2023
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 13683434
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem