In opdracht van de gemeente Renswoude heeft RAAP in december 2025 – januari 2026 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Binnen de Beken Zuid - Zuidwest te Renswoude in de gemeente Renswoude (figuur 1).
Het onderzoek vond plaats in het kader van een nieuw omgevingsplan. De opdrachtgever is van plan woningbouw in het plangebied te realiseren.
Op grond van de onderzoeksresultaten en onder verwijzing naar de doelstellingen, kunnen de volgende uitspraken worden gedaan:
• Volgens de gespecificeerde verwachting uit het bureauonderzoek gold er een hoge verwachting voor archeologische resten uit de periode laat paleolithicum – vroege middeleeuwen. De hoge verwachting gold voor het aantreffen van bewoningsresten uit de eerdergenoemde periode in het intacte dekzand met een podzolbodem.
• Tijdens het onderzoek zijn geen tekenen van podzolvorming in het zand aangetroffen. Het vermoeden bestaat dat in ieder geval ter plaatse van boringen 1 en 2 de mogelijke podzol gedurende de aanleg van het plaggendek is vergraven. Boringen 1 en 2 liggen volgens de geomorfologische kaart op een dekzandrug waardoor de verwachting van een podzolbodem ter plaatste het grootst was. Boringen 3 t/m 7 bevinden zich op de geomorfologische kaart in een zone met verspoeld dekzand. Ook hier zouden in theorie podzolbodems kunnen worden
verwacht, maar de mogelijke verspoeling die heeft plaatsgevonden – wat onder andere de leemlagen in het zand heeft veroorzaakt – maakt de kans op aantreffen minder groot.
• Wat opvalt is dat de bodemkaart uitgaat van beekeerdgronden in het gehele plangebied. Dergelijke gronden worden over het algemeen niet in relatie gebracht met dekzandruggen. De vrij lage dekzandruggen en de overgangszones van hoog naar laaggelegen gebieden kunnen echter nog wel worden gecombineerd met beekeerdgronden. De resultaten lijken in ieder geval voor het zuidelijk deel wel aan te sluiten op de gegevens uit de bodemkaart. In dit deel is geen sprake van een podzolbodem in een dekzandrug, maar van een beekeerdgrond in een nat
gebied, maar niet een geheel laag gebied als wordt gekeken naar het AHN.
• Voor boringen 1 en 2 geldt dat het niet geheel kan worden uitgesloten of de bodem ook hier uit beekeerdgronden bestaat, aangezien de bodem tot in de C-horizont is geroerd. Ook op deze locaties zijn geen tekenen van bodemvorming aangetroffen waardoor de archeologische verwachting voor de periode laat paleolithicum – vroege middeleeuwen naar laag worden bijgesteld.
• Aangezien geen tekenen van podzolering in het dekzand zijn aangetroffen, aangezien de top van het dekzand is verstoord, kan de archeologische verwachting voor de periode laat paleolithicum – vroege middeleeuwen naar laag worden bijgesteld.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht.