Laagland Archeologie heeft in september 2023 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de De Brienenshof - Ossenwaard 13 te Cothen. Het onderzoek vond plaats in verband met de benodigde bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouw van een nieuw kinderdagverblijf.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied voornamelijk op de Kromme Rijn stroomgordel tot de Romeinse tijd. Deze was actief vanaf de Vroege IJzertijd tot Midden-Romeinse tijd (ongeveer 550 voor Chr. tot 176 na Chr.). Het overgrote deel van het plangebied ligt binnen een zone met oever-op-beddingafzettingen (zand < 1,2 m -mv). Dwars door het plangebied loopt een restgeul zonder veen. Deze restgeul wordt gevolgd door de Rijnsloot. Door een omlegging in 2010 is de Rijnsloot uit het plangebied verdwenen. Op basis van milieukundig bodemonderzoek bestaan onverstoorde bodemprofielen waar het kinderdagverblijf voorzien is mogelijk uit oude woongronden, afgezien daar waar de Rijnsloot heeft gelopen.In de omgeving van het plangebied zijn archeologische vondsten van de IJzertijd tot Nieuwe tijd gedaan. Een deel van deze vindplaatsen liggen echter op de Houten stroomgordel/ Houten Disconnectie Fase stroomgordel, terwijl het plangebied voornamelijk op de Kromme Rijn stroomgordel tot de Romeinse tijd is gelegen. Op de Kromme Rijn stroomgordel tot de Romeinse tijd of het deel dat ook nog na de Vroege Middeleeuwen actief was, zijn vindplaatsen bekend vanaf de Romeinse tijd. Om die reden kunnen archeologische vindplaatsen vanaf de Romeinse tijd verwacht worden binnen het plangebied. Mogelijk liep een van de wegen van de Neder-Germaanse Limes door het plangebied.Verder was op basis van de perceelvormen een deel van het plangebied ten noorden van de restgeul/Rijnsloot al in de Vroege Middeleeuwen ontgonnen, terwijl het gebied ten zuiden ervan waarschijnlijk later ontgonnen is (Late Middeleeuwen). Daar liggen meer langgerekte (gestrekte) percelen. In historische tijden (vanaf circa 1832) werd het terrein omschreven als boomgaard, huis met erf en bouwland en weiland. Op het historische kaartmateriaal was ten zuiden van de Rijnsloot geen bebouwing aanwezig tot rond 1988. Grofweg binnen de huidige bebouwing zijn meerdere bouwfasen geweest. Daar heeft mogelijk verstoring plaatsgevonden. Binnen het deel van het plangebied waar het nieuwe kinderdagverblijf is voorzien hebben bodemingrepen plaatsgevonden, maar is de natuurlijke ondergrond op basis van milieukundig bodemonderzoek waarschijnlijk nog onverstoord.Op basis van de opgedane gegevens is de archeologische verwachting hoog vanaf de Romeinse tijd tot Nieuwe tijd voor het gebied ten noorden van de Rijnsloot. Omdat op het historische kaartmateriaal niet eerder dan rond 1988 bebouwing staat aangegeven ten zuiden van de Rijnsloot is de archeologische verwachting daar hoog vanaf de Romeinse tijd tot Late Middeleeuwen en middelhoog voor de Nieuwe tijd. Verder is er sprake van een restgeul, ter hoogte van de voormalige loop van de Rijnsloot binnen het plangebied.Deze waren ongeschikt voor bewoning, maar in deze restgeulen kunnen mogelijk dumpzones aanwezig zijn.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Het verkennend booronderzoek is uitgevoerd in het deelgebied waarbinnen de bebouwing van de kinderopvang zal worden gezet.Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans groot dat het onderzochte deel van het plangebied archeologische sporen bevat. Er is een overwegend onverstoorde bodemopbouw aangetroffen. Alleen is door de aanwezigheid van kuilvoerbakken en ophogingen een ernstige verblauwing opgetreden van de ondergrond van het overgrote onderzochte deel van het plangebied (zie Bijlage 12). In een smalle strook net buiten het terreindeel met kuilvoerbakken zijn profielen aangetroffen met karakteristieken van oude woongronden. De specifieke archeologische verwachting voor het onderzochte deel is hoog voor de Romeinse tijd tot Nieuwe tijd (ten noorden en ongeveer ter hoogte van de restgeul en ten noorden van de voormalige loop van de Rijnsloot). Verder blijft de indicatieve archeologische verwachting hoog voor de Romeinse tijd tot Nieuwe tijd voor de rest van het bestemmingsplangebied ten noorden van de Rijnsloot. Ten zuiden van de Rijnsloot is de indicatieve archeologische verwachting van het bestemmingsplangebied hoog voor de Romeinse tijd tot Late Middeleeuwen en middelhoog voor de Nieuwe tijd. In het bestemmingsplangebied ter hoogte van het onderzochte gebied is de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen heel waarschijnlijk (waarschijnlijk liep een tracé van een van de wegen van de Neder-Germaanse Limes door het plangebied, gelegen aan een weg die in ieder geval teruggaat tot de 8ste eeuw na Chr. op een verkaveling die waarschijnlijk eveneens terug gaat tot tenminste de 8ste eeuw na Chr.).Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems). Wel moet bij dit onderzoek rekening worden gehouden met een lage spoorzichtbaarheid door verblauwing onder de met kuilvoerbakken en ophogingen gelegen deel van het onderzochte deel van het plangebied. Vanwege de waarschijnlijk lage spoorzichtbaarheid is de informatiewaarde van eventuele vindplaatsen mogelijk laag.Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P).De beoordeling van dit advies is in handen van de gemeente Wijk bij Duurstede, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente, de heer Harry Pape-Luijten, Rubicon Erfgoed.