In opdracht van Black Bear Carbon Nederland heeft RAAP van 26 tot en met 31 mei 2021 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd als onderdeel van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de geplande bouw van een nieuwe fabriek op plots B.B.1 en B.B.2 op het Chemelot-terrein in de gemeente Sittard-Geleen.Het doel van het proefsleuvenonderzoek was het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein. Hiertoe was het noodzakelijk inzicht te krijgen in de precieze aard en omvang van de vindplaats. In het verlengde daarvan is in kaart gebracht wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in het plangebied. Is de archeologische vindplaats behoudenswaardig, en, zo ja, kan deze behouden blijven of dient deze te worden opgegraven?Tijdens het onderzoek zijn verspreid over het plangebied 17 proefsleuven aangelegd met een totaal oppervlak van 1791 m2. Dit komt neer op een dekkingsgraad van 7% van het totale plangebied. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat een deel van het plangebied, voornamelijk in het noordwesten, niet kon worden onderzocht als gevolg van aanwezige verontreinigingen in de bodem alsmede de aanwezigheid van kabels en leidingen en ook bomen. Dit lijkt echter geen gevolgen te hebben voor het onderzoek.Verspreid over de proefsleuven zijn verschillende archeologische resten aangetroffen. Het gaat om 20 archeologisch relevante sporen aangetroffen. Het gaat hierbij om negen paalkuilen, vijf kuilen, een greppelachtig spoor en twee houtskoolmeilers uit de late prehistorie. Een van de houtskoolmeilers is door middel van C14-analyse gedateerd in de midden-late ijzertijd. Ook de overige sporen stammen vermoedelijk uit deze periode. Daarnaast zijn er nog twee greppels en enkele karrensporen uit de nieuwe tijd aangetroffen. Vondsten zijn slechts in zeer beperkte mate aangetroffen. Uit kuil S17 komt een stuk natuursteen (V1), terwijl een fragment baksteen (V2) afkomstig is uit een van de greppels uit de nieuwe tijd. De laatprehistorische sporen vormen een voortzetting van de laatprehistorische vindplaatsen die zijn gedocumenteerd tijdens eerder onderzoek op de naast gelegen plots KARMA en PE. De vindplaats dateert in de midden en late ijzertijd met een uitloop in het begin van de Romeinse tijd. Er is gezien het ontbreken van duidelijke structuren en vondsten, de lage spoordichtheid en de schone vulling van de sporen geen sprake van een nederzettingsterrein. In plaats daarvan is er vermoedelijk sprake van een locatie met noodreserves waarvan alleen in tijden van nood gebruikt werd gemaakt of van een akkerareaal met daarop enkele spiekers en silokuilen die hebben gediend voor de (tijdelijke) opslag van zowel de oogst als eventueel zaaigoed voor het volgende jaar.