Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de periode Laat-Neolithicum en een hoge verwachting voor de perioden vanaf de Bronstijd t/m de Middeleeuwen. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging binnen de Leuth stroomgordel. Deze stroomgordel was actief van circa 2500 tot 190 v. Chr. (Laat-Neolithicum t/m Late-IJzertijd). Met het ontstaan van de Leuth stroomgordel, en daarmee de vorming van hoger gelegen kronkelwaardruggen, oeverwallen en crevassen, kreeg het plangebied een gunstige ligging voor bewoning. Ook nadat de Rijn de Leuth stroomgordel definitief had verlaten om vervolgens noordelijker te gaan stromen, ter plaatse van de Waal, behielden de oude stroomruggen hun relatief hoge ligging in het landschap. Deze gunstige ligging als bewoningslocatie wordt bevestigd door reeds aangetroffen vondstmateriaal tijdens eerder uitgevoerde prospectieve onderzoeken. Ook gravend circa 250 meter ten zuiden van het plangebied hebben nederzettingsresten en -sporen opgeleverd daterend uit de Romeinse tijd, de Vroege- en de Volle-Middeleeuwen. Verder is het gebied bij Millingen aan de Rijn geteisterd door vele dijkdoorbraken, waaronder tijdens de watersnood van 1799, waardoor er in eerste instantie rekening dient te worden gehouden met de aanwezigheid van een pakket overslagmateriaal/dijkdoorbraakafzettingen. Historisch kaartmateriaal laat verder zien dat het plangebied lang in agrarisch gebruik is geweest. Het huidige woonerf is pas begin jaren ’60 van de 20e eeuw ontstaan. De verwachting op bewoningssporen/restanten van een historische huisplaats uit de Nieuwe tijd laag is dan ook laag.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) bevestigen de ligging van het plangebied binnen de Leuth stroomgordel. Er zijn oever-/kronkelwaard- op beddingafzettingen aangetroffen, waarbij zich in de top van nature een kalkhoudende ooivaaggrond heeft ontwikkeld. Een afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen is niet aangetroffen of kon simpelweg niet worden onderscheiden ten gevolgde van het verstoorde deel van de bodemopbouw. Recente bodemverstorende ingrepen reiken tot een gemiddelde diepte van 50 cm -mv, waarin. Over het algemeen is de verstoringsdiepte echter niet in die mate dat verwacht mag worden dat het archeologisch potentiële sporenniveau volledig verstoord is. Alleen in het noordwestelijke deel van het plangebied (binnen de oprit) reiken verstoringen tot circa 90 cm -mv, waarschijnlijk ten gevolge van de aanleg van nutsvoorzieningen.
Plaatselijk zijn in de huidige bouwvoor/recent bewerkte bovengrond (Ap-horizont) fijne (sub)recente resten bouwpuin-/baksteenpuin aangetroffen en zijn hier waarschijnlijk ten tijde van de inrichting als woonperceel (bouw van bestaande woning en tuinaanleg/-inrichting) in de bodem terecht gekomen. De karterende fase van het booronderzoek heeft verder geen archeologisch relevante indicatoren opgeleverd. Ook zijn er geen antropogeen beïnvloede bodemlagen aangetroffen, welke kunnen duiden op de aanwezigheid van een door de mens gevormde oude cultuurlaag/oude woongrond. Er is daarmee geen duidelijke aanleiding meer om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats die zich manifesteren door een archeologische vondst-/cultuurlaag, in het plangebied nog te vermoeden. Voor vindplaatsen die zich niet manifesteren door een vondst-/cultuurlaag (buiten oude woongronden) geldt dat deze, vanwege de intacte bodemopbouw, niet kunnen worden uitgesloten.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat, op basis van de resultaten van het booronderzoek, er geen aanwijzing zijn om restanten van een archeologische vindplaats die zich manifesteren door een archeologische vondst-/cultuurlaag, binnen het plangebied te verwachten. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een middelhoge verwachting gold op het voorkomen van archeologische resten uit de periode Laat-Neolithicum en een hoge verwachting voor de perioden vanaf de Bronstijd t/m de Middeleeuwen, kan dan ook voor dergelijke type vindplaatsen worden bijgesteld naar geen verwachting. Voor vindplaatsen die zich niet manifesteren door een vondst-/cultuurlaag (buiten oude woongronden) blijft de hoge verwachting wel behouden, omdat er over het algemeen sprake is van een (deels) intacte bodemopbouw.
Advies
Er is over het algemeen sprake van een (deels) intacte bodemopbouw, waardoor normaliter vervolgonderzoek noodzakelijk zal zijn naar de aan-/afwezigheid van archeologische vindplaatsen die zich niet manifesteren door een vondst-/cultuurlaag (buiten oude woongronden). Op basis van de ontwerpversie van het bouwplan is sprake van herbouw op nagenoeg dezelfde plaats als de huidige woning en verharding op dezelfde locatie als de huidige oprit. Er wordt 4 cm dieper -mv ontgraven. Op basis van dit conceptontwerp is archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Indien het definitieve ontwerp ten opzichte van het conceptontwerp is aangepast, dient dit opnieuw aan de bevoegde overheid te worden voorgelegd om te bepalen of vervolgonderzoek noodzakelijk is.