Op 27 september 2021 is een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd achter de Raadhuisstraat (huisnummers 52-54) te Berkel-Enschot door Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie in opdracht van KMDT B.V. Projectontwikkeling. Het plangebied betreft een herontwikkeling tot woongebied. Voor het plangebied geldt volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Tilburg een hoge archeologische verwachting en daarom dient te worden onderzocht welke eventuele archeologische resten aanwezig zijn en, indien aanwezig, wat daarvan de waarde is. Het voorafgaande booronderzoek toonde aan dat het noordelijk deel van het plangebied een sterk verstoorde bodemopbouw kent en de archeologische verwachting alleen nog gold voor het zuidelijk deel waarin de bodemopbouw intact was. Daarom is dat deel van het plangebied geïnventariseerd op de aanwezigheid van archeologische resten door middel van een proefsleuvenonderzoek, waarvoor Vestigia ook het Programma van Eisen (PvE) heeft opgesteld. Voor dit proefsleuvenonderzoek luidt de centrale vraagstelling als volgt: Is in het plangebied sprake van een betekenisvolle archeologische vindplaats uit de periode vanaf de Steentijden (met name vanaf het Neolithicum) tot en met de Middeleeuwen (in het kader van waardering en de bijdrage aan de bewoningsgeschiedenis in de regio)? Het onderzoek is in grote lijnen conform dit PvE uitgevoerd. Aangezien ook een grootschalige verstoring aanwezig was in dit deel van het plangebied is afgeweken van het puttenplan uit het PvE om zo de omvang hiervan meer betrouwbaar in kaart te brengen. Het veldwerk omvat drie proefsleuven aangelegd: de werkputten 1, 2 en 3. De werkputten zijn 2 m breed aangelegd in de zone met verstoringen. Alleen daar waar de bodemopbouw min of meer intact is, aan de noordzijde van werkput 3, is de werkput verbreed naar 4 m. Door bouw- en sloopwerkzaamheden is de grond in het zuidelijk deel van het plangebied volledig over de kop gegaan, waarbij tot in de C-horizont de grond is vergraven en opgevuld is met bouwzand. Alleen in het noordwestelijk deel is sprake van een meer intacte bodemopbouw met onder een plaggendek de natuurlijke ondergrond (A-C profiel). Overeenkomstig het booronderzoek kenmerkt de bodemopbouw zich hier als een enkeerdgrond bestaande uit twee lagen. De bovenste laag is donkerder van kleur en kent een scherpe met ploegvoren aanwezige grens naar het meer bruinige tweede pakket eronder, als onderdeel van de oorspronkelijke plaggenophoging van de voormalige akker. Op een enkel restant van een smalle greppel na afkomstig uit het cultuurdek van de voormalige akker, zijn in het geheel geen aanwijzingen voor sporen en vondsten aanwezig. Oorzaak kan liggen in het in recente tijd zwaar omgezette terreindeel door toedoen van de aanleg en sloop van de voormalige bebouwing. Vondstmateriaal is in het geheel afwezig, zodat ook waar de bodem nog wel intact is, geen aanleiding is te veronderstellen dat ter plekke sprake is van een vindplaats die zich in de top van de C-horizont zou kunnen manifesteren. Op basis van de resultaten van het onderzoek, namelijk de afwezigheid van archeologische resten , wordt geadviseerd het onderzoeksgebied vrij te geven voor de geplande nieuwbouw. Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Tilburg, om op basis van het hierboven geformuleerde advies en de voorgenomen ingrepen, een besluit te nemen hoe verder te handelen in het kader van het gemeentelijk archeologisch monumentenzorgbeleid. Ook nadat het archeologisch onderzoeksproces is afgerond en het terrein zogenaamd archeologisch wordt vrijgegeven door de gemeente, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Tilburg en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.