Gespecificeerde archeologische verwachting
Het onderzoeksgebied ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied en op basis van de verzamelde landschappelijke gegevens had het plangebied vanaf het (Laat-)Paleolithicum t/m de Midden-Bronstijd (Jagers-Verzamelaars en (Vroege-)Landbouwers) een ligging binnen vlechtende riviervlakte (Terras X), overgaand naar een ligging binnen een komgebied. Voor bewoning zal het plangebied tijdens deze perioden waarschijnlijk geen gunstige ligging hebben gehad, vooral in de tijd dat het een nat komgebied betroffen dat waarschijnlijk regelmatig overstroomde.
Vanaf de Late-Bronstijd kwam het noordelijke deel van het plangebied binnen de Bommel en navolgende Echteld stroomgordel te liggen (overerving, waarbij de Echteld stroomgordel ter hoogte van het noordelijke deel van het plangebied dezelfde positie innam als de Bommel stroomgordel. De Bommel stroomgordel was actief van circa 1125 tot 389 voor Chr. (Late-Bronstijd t/m Midden-IJzertijd), de Echteld stroomgordel vanaf circa 826 voor Chr. tot 121 na Chr. (Vroege-IJzertijd t/m Midden-Romeinse tijd). Naast de stroomgordelzone werden ook oeverwallen gevormd, zo ook binnen waarschijnlijk het merendeel van het centrale deel van het plangebied (langs de zuidelijke begrenzing van de Echteld stroomgordel. Vanaf zeker de IJzertijd zal het noordelijke als ook het (merendeel van het) centrale deel van het plangebied geschikt zijn geweest voor bewoning. De ligging binnen oeverwallen dan wel een kronkelwaardruggen gaf de beschikking van voldoende areaal bouwland (akkergronden) en het houden van vee, en daarmee de ontwikkeling van een nederzetting((s)complex). Dit blijkt ook uit de diverse vindplaatsen die zijn aangetroffen tijdens omvangrijke opgravingen uitgevoerd voor het bedrijvenpark Medel, welke zich voor een groot deel uitstrekt over de stroomgordel van Echteld. Ook tijdens veldkartering uitgevoerd ten oosten/noordoosten van het centrale deel van het plangebied zijn diverse archeologische resten aangetroffen (voornamelijk fragmenten laatprehistorisch als middeleeuws aardewerk), duidend op menselijke (bewonings)activiteiten op de naastgelegen oeverwalzones/aflopende flanken.
Vanaf de Late-IJzertijd is de huidige riviertak van de Waal ontstaan (vanaf circa 210 voor Chr.). Het zuidelijke, huidige buitendijks gelegen deel van het plangebied bevindt zich binnen de stroomgordelzone van deze rivier. Ook voordat bedijking plaatsvond (aanleg nam vooral vanaf de 12e eeuw zijn vogelvlucht) werden naastgelegen oeverwallen gevormd, opnieuw binnen waarschijnlijk het merendeel van het centrale deel van het plangebied. Voor bewoning bleef het centrale deel van het plangebied dan ook geschikt.
Na de bedijking, met de aanleg van waar vandaag de dag nog de Waalbandijk/Echteldsedijk door het centraal-zuidelijke deel van het plangebied loopt (winterdijk), kreeg het zuidelijke deel van het plangebied een ligging buitendijks waar de rivier de Waal actief bleef. Beschikbaar historisch kaartmateriaal wijst erop dat in ieder geval de 16e eeuw en waarschijnlijk ook nog in de 17e eeuw de rivier actief is geweest (behorende tot de watervoerende riviergeul). Oudere afzettingen uit de Middeleeuwen zijn in deze periode vermoedelijk geërodeerd en/of afgedekt met nieuw sediment. Voor bewoning was het in ieder geval ongeschikt. In de Middeleeuwen was het plangebied onderdeel van de actieve rivier van de Waal en daardoor ongeschikt voor bewoning. Als natuurlijke snelweg in het landschap kunnen wel maritieme archeologische resten zijn achtergebleven (te denken valt aan scheepswrakken).
Bewoning vond juist binnendijks op de oever van de Waal plaats. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat ook zien dat langs de binnendijkse zijde van de Waalbandijk/Echteldsedijk woon-/boerenerven hebben gelegen. Tevens heeft in het centraal-westelijke deel van het plangebied (langs de Latensteinse Rondweg ter hoogte van het huidige woonwagenkamp) Huis Latestein gestaan, een versterkt huis dan wel kasteelachtige bebouwing gestaan, waarschijnlijk daterend uit de Late-Middeleeuwen. Later is het kasteel vervangen door een boerderij, welke er tot in de jaren ’60 van de 20e eeuw nog heeft gestaan. Gravend onderzoek langs de randen van Huis Latestein heeft al geresulteerd in het aantreffen van een groot deel van de omgrachting en andere sporen van omliggende infrastructuur. De kans is dan ook hoog dat er nog ondergrondse gebouwstructuren (steenbouw, restanten van muurwerk, funderingen e.d.) aanwezig zijn/bewaard zijn gebleven. Voor de strook langs de binnendijkse zijde van de Waalbandijk/Echteldsedijk als de locatie Huis Latestein geldt dan ook een hoge verwachting voor de perioden Late-Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd (zie figuur 23).
Voor de locatie van de stortplaats Echteldsedijk (voorheen bekend als Stortplaats ‘Vijverberg’), waar sprake is van een verstoorde bodemopbouw dan wel dat er reeds diepe ontgravingen hebben plaatsgevonden, geldt geen archeologische verwachting meer (zie figuur 23). Dit geldt logischerwijs ook voor het aangelegde deel van het Amsterdam-Rijnkanaal en de Prins Bernhardsluizen met bijbehorende schutkolken tussen het westelijk en oostelijk gelegen deelgebied (zoekgebied).
Conclusie en advies
Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten/sporen geldt vooral voor het noordelijke en centrale (binnendijks gelegen) deel van het plangebied. Voor het zuidelijke (buitendijks gelegen) deel van het plangebied wordt de trefkans zeer klein geacht. De nader gespecificeerde verwachting wordt verder afgebeeld op figuur 23.
In relatie tot risicobeperking van het mogelijk kunnen verstoren van archeologische waarden kan de locatiekeuze van de fietsbrug het beste gezocht worden in het zuidelijke (buitendijks gelegen) deel van het plangebied. Wanneer de reeds aanwezige infrastructuur in ogenschouw worden genomen, is de aanleg van een fietsbrug tussen de reeds bestaande Waalbandijk en Echteldsedijk (waar voorheen de dijk liep voordat het kanaal werd aangelegd) te adviseren. Met inachtneming dat bodemverstorende ingrepen beperkt kunnen blijven tot het dijkwalgedeelte direct aan weerszijde van het kanaal. Bodemingrepen zullen daarmee niet plaatsvinden binnen de strook langs de binnendijkse zijde van de Waalbandijk/Echteldsedijk.
Voor een locatiekeuze in het noordelijke dan wel centrale deel van het plangebied dient bepaald te worden of de aanleg/inrichting van de fietsbrug wel of niet gepaard zal gaan met verstorende ingrepen tot in de oorspronkelijke bodemopbouw en of daarmee aanvullend archeologisch onderzoek wel of niet noodzakelijk is.