Laagland Archeologie heeft in december 2023 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Linderweg 17a te Linde. In januari 2024 is vervolgens een karterend booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom geplande woningbouw.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003. Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Het plangebied ligt op de lagere flank van een stuwwal. Er is een dekzandpakket aanwezig van tenminste 180 cm dik; hierin heeft zich een veldpodzolbodem gevormd. Tussen 3850 en 2750 voor Chr. (Midden-Neolithicum ontstond veengroei. In de loop der eeuwen ontwikkelde zich een dik veenpakket dat zich tot ver in de Nieuwe Tijd kon handhaven. Vanaf het moment dat veengroei ontstond (en waarschijnlijk al vlak daar voor) was het terrein te nat voor bewoning. Een historische kaart uit circa 1832 bevestigt de aanwezigheid van een veenpakket nabij het plangebied. Ter plaatse van het plangebied was dit veen in 1832 niet meer aanwezig. Waarschijnlijk is het ruim daarvoor al ontgonnen. Het restveenpakket was waarschijnlijk rond 1832 door inklinking en oxidatie al nagenoeg verdwenen, gezien de toenmalige aanduiding als ?heide?. Bodemkundig is een veldpodzolgrond te verwachten. Deze ligt nagenoeg aan het maaiveld, vermoedelijk onder een bouwvoor of graszode. In het oostelijke deel is mogelijk grond afgegraven. Op het AHN zijn daarvan echter geen concrete aanwijzingen te zien. Afgezien van enkele kleine schuurtjes is het terrein aldoor onbebouwd gebleven, waardoor een grotendeels intact podzolprofiel verwacht mag worden.In het plangebied worden resten uit de periode Laat-Paleolithicum ? Vroeg-Neolithicum verwacht (middelhoge verwachting). De overgang van hoger naar lager gelegen gronden maakte het gebied mogelijk aantrekkelijk voor tijdelijk bewoning (jachtkampjes). Door de oppervlakkige ligging zijn vondsten en sporen uit die periode erg kwetsbaar tegen latere bodemingrepen.Resten vanaf het Midden-Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd worden niet verwacht. Door vernatting en veengroei was het terrein waarschijnlijk ongeschikt voor bewoning. Tot in historische tijden is het terrein onbebouwd gebleven. In de directe omgeving ontstond bebouwing pas tussen 1832 en 1900.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Tijdens het verkennende booronderzoek is hoofdzakelijk een AC-profiel aangetroffen. Op twee locaties is een B-horizont gezien. Op die locaties ligt het dekzand ook wat hoger. Het booronderzoek heeft daarnaast twee vuursteenfragmentjes opgeleverd. Of het daadwerkelijk om artefacten gaat is twijfelachtig, maar de aanwezigheid van vuursteen maakt dit gebied verdacht. Rondom de twee boringen met een intact podzolprofiel zijn in totaal acht karterende boringen gezet. Deze boringen hebben geen archeologische indicatoren opgeleverd, maar wel is in de meeste karterende boringen een intacte B- en BC-horizont gezien. Vervolgens zijn rondom twee andere verkennende boringen ? waar de top van het dekzand op ruwweg vergelijkbare hoogte lag ? nog eens zes karterende boringen gezet. Ook hier is voornamelijk een B-horizont en soms alleen een BC-horizont gezien. Archeologische indicatoren zijn niet aangetroffen. Op grond van het ontbreken van archeologische indicatoren kan worden aangenomen dat binnen het plangebied geen vindplaats aanwezig is. We adviseren daarom geen verder archeologisch onderzoek en vrijgave van het terrein.Dit advies is in handen van de bevoegde overheid, de gemeente De Wolden. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, mevr. M. Montforts.Mochten buiten de advieszones tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).