De aanleiding voor het onderzoek vormt de voorgenomen nieuwbouw. De nieuwbouw gaat gepaard met bodemverstoring, die tot een diepte van circa 1 m –mv zal reiken. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Woonstichting Sint Joseph.Bij het vooronderzoek zijn twee vindplaatsen vastgesteld. Vindplaats 1 betreft de vondst van een ondiepe kuil met veel aardewerk uit de vroege ijzertijd. Deze kuil ligt onder de humeuze vullingen van een lokale depressie of een fossiele beekloop. De tweede vindplaats betreft een tweetal paalkuilen op de helling van een dekzandrug. Deze vindplaats dateert vermoedelijk uit de late middeleeuwen. Op basis van deze vondsten geldt een hoge verwachting voor waarden uit de late prehistorie tot en met de nieuwe tijd.Het doel van opgraven is het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden. De definitieve opgraving is uitgevoerd van 3 t/m 9 september 2012. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de uitgangspunten en randvoorwaarden zoals vastgelegd in het PvE. Tijdens het veldonderzoek is op een aantal punten afgeweken van de in het PvE beschreven onderzoeksmethodiek. Er zijn drie werkputten aangelegd. In werkput 1 zijn twee vlakken aangelegd; de werkput is bovendien op een aantal locaties uitgebreid, conform de mogelijkheden die het PvE hiertoe bood. In werkput 2 waren in het PvE twee vlakken voorzien in de aanname dat hier humeuze vullingen behorende tot de geulvulling/depressie zouden worden aangetroffen. Deze vullingen zijn echter niet aangetroffen; in deze werkput is daarom één vlak aangelegd. Conform het PvE is in werkput 3 één vlak aangelegd.In werkput 1 zijn drie profielen over de gehele lengte van de betreffende putwanden aangelegd. Daarnaast zijn een aantal profielen van de uitbreidingssleuven gefotografeerd. In werkput 2 en 3 zijn respectievelijk drie en zes profielkolommen gedocumenteerd.Tijdens de opgraving bleek dat het bodemprofiel van werkput 3 geheel en werkput 2 deels tot in de C-horizont waren verstoord. Werkput 3 heeft geen relevante vondsten of grondsporen opgeleverd. In het zuidelijk deel van werkput 2 zijn een middeleeuwse greppel en een vermoedelijke drinkkuil aangetroffen. In werkput 1 is een overwegend intacte fossiele beekloop aangetroffen. In de fossiele beekloop zijn op een tweetal locaties concentraties van paalkuilen aangetroffen. De zuidelijk gelegen concentratie bevindt zich op de locatie van een tijdens voorgaand onderzoek aangetroffen kuil met aardewerk uit de vroege ijzertijd. De andere concentratie bevindt zich iets noordelijker. Beide paalkuilconcentraties representeren waarschijnlijk de restanten van verschillende fasen van brugconstructies. Dat het om een brug gaat wordt bij de zuidelijke spoorconcentratie gestaafd doordat aan weerszijden van de beekgeul ook nog paalkuilen zijn aangetroffen en doordat de oorspronkelijke beek hier – afgaande op de breedte van de geulvulling - relatief smal is geweest. De wat noordelijker gelegen paalkuilconcentratie betreft vermoedelijk eveneens een brugconstructie, al is hier waarschijnlijk slechts een deel van de structuur blootgelegd. Een deel ligt vermoedelijk nog besloten in de bodem.Op basis van een aantal kogelpotfragmenten in een paalkuil dateert één van de kuilen uit de periode 800 – 1000. De andere paalkuilen hebben geen vondstmateriaal opgeleverd. Het grote aantal paalkuilen suggereert dat de brugconstructie diverse fasen en reparaties moet hebben gehad. Op dit moment kan de ouderdom en gebruiksduur van de brug niet bepaald worden. Vermoedelijk heeft de brug een voorganger gehad: een doorwaadbare oversteekplaats (voorde) die zich mogelijk al vanaf de vroege ijzertijd of zelfs eerder op deze locatie bevond. Er kunnen geen harde uitspraken worden gedaan over het complextype van de ondiepe kuil met ijzertijd-aardewerk. Vermoedelijk gaat het hier om een dumpzone nabij een oversteekplaats, dit op basis van het ontbreken van ander vondstmateriaal dat als typerend voor rituele deposities uit de bronstijd/ijzertijd wordt gezien (wapens, sieraden, werktuigen). Tijdens het huidige onderzoek is gedurende de aanleg van het vlak in de zuidelijke paalkuilconcentratie ook inheems-Romeins aardewerk aangetroffen. De archeologische context hiervan is echter niet erg betrouwbaar.Het onderzoek heeft voorts sporen van landinrichting uit de laat-Karolingische tijd en late middeleeuwen opgeleverd. Het spoor uit de laat-Karolingische tijd betreft vermoedelijk een drinkkuil uit de tijd dat het gebied nog niet ontgonnen was maar wel werd gebruikt voor beweiding van vee. Het spoor uit de late middeleeuwen betreft een greppel die de humeuze geulvullingen doorsnijdt. Ergens tussen de volle en late middeleeuwen moet de beekloop dus afgesloten zijn.Vergeleken met het verwachtingsmodel zoals in het PvE en de voorgaande onderzoeken is geformuleerd, zijn feitelijk met zekerheid alleen sporen uit de middeleeuwen aangetroffen. Welke datering en faseringen aan de paalkuilen moet worden toegekend is op basis van het ontbreken van dateerbare vondsten niet aan te geven. Tijdens het onderzoek hebben vrijwilligers van de Heemkundekring Boxtel hun zeer gewaardeerde medewerking verleend.