De schans is vrij arm aan vondsten, zoals veel vluchtschansen uit de Tachtigjarige Oorlog. Vondsten zijn vooral aangetroffen bij de buitengracht, in de scheidingsgreppel en in de ontwateringsgreppeltjes op het binnenterrein. Het betreft behoorlijk versleten nederzettingsafval; enkele stukken keramiek zijn te plaatsen in de perioden 1500-1625 en 1550-1650. Grote baksteenstukken zijn vooral afkomstig uit de gracht, de waterkuil en de scheidingsgreppel - rond plekken waar in- of doorgangen worden verwacht. Een specifieke functie/gebruik is echter niet aan te wijzen. Vermoedelijk zijn enkele stukken kalksteen gebruikt om het betreffend perceel bouwland of (vloei)weide te bekalken, en bevestigen de vondsten het landbouwkundige karakter van het perceel nadat de schans in onbruik raakte.De macrobotanische resten uit de gracht bevatten zaden en vruchten van wilde planten die duiden op een ruderale vegetatie met matig tot voedselrijke bodems. Kool- of raapzaad is een oliehoudende plant die als ruderaal goed gedijt in graslanden en aan de rand van akkers. Deze planten sluiten aan bij de vermelding dat de schans wordt gebouwd op cultuurland en de aanwijzingen dat het perceel (ook) nadat de schans in onbruik raakte, als cultuurland in gebruik was. Het pollenmonster uit de gracht laat zien dat de vegetatie in en rond de schans bestond uit vochtig grasland. De gracht was watervoerend en vrij van planten, terwijl de wal binnen de gracht juist begroeid was met braamstruiken. In de wijdere regio buiten de schans lag een open cultuurlandschap. Op de droge zandgronden waren heidevelden te vinden, afgewisseld met akkers, houtwallen en hakhoutbosjes. In het dal van de Dommel groeiden wat elzenbomen maar vooral ook nat grasland. De Venbergse Watermolen werd gebruikt om graan te malen en mogelijk ook om olie te slaan uit oliehoudende planten.