BAAC heeft een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd in het plangebied Zonnepark Oosterhout te Dorst, gemeente Oosterhout. Aanleiding voor het onderzoek is de bouw van een zonnepark met de bijbehorende kabels en leidingen en de inrichting van een ecologische verbindingszone aan de westzijde van het plangebied. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning is een archeologische onderbouwing van het plangebied noodzakelijk.Uit het door Sweco in 2021 uitgevoerde bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied op terrasafzettingswelvingen of een terrasvlakte ligt, waarop een maximaal 2 m dik pakket dekzand is afgezet. Op de bodemkaart is te zien dat in het plangebied beekeerdgronden en laarpodzolgronden voorkomen. In het uiterste noordoosten zijn in een klein deel ook enkeerdgronden aanwezig. Op de AHN is duidelijk te zien dat het plangebied gelegen is in een lager deel van het landschap, wat vanuit het westen richting het oosten oploopt van 4.54 +m NAP naar 5.46 m +NAP.Op basis van het bureauonderzoek geldt er voor het gehele plangebied een middelhoge archeologische verwachting. Specifiek worden er archeologische resten uit het mesolithicum en de middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd verwacht vanaf 30 cm -mv.Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied op een overgangsgebied ligt van hoger voorkomende dekzandwelvingen met een oud bouwlanddek in het uiterst oostelijke deel naar een lagere terrasvlakte met beekafzettingen in het zuid- en noordwestelijke deel van het plangebied. Geologisch is sprake van een dun dek bestaande uit dekzand, verspoeld dekzand of beekzand/smeltwaterleem behorende tot de Formatie van Boxtel dat discordant op klei, leem of zand behorende tot de Formatie van Sterksel ligt.De Formatie van Sterksel komt binnen het plangebied voor vanaf circa 30 à 105 cm -mv (vanaf circa 3,3 à 3,5 m +NAP). In enkele boringen is sprake van een licht verweerde, verbruinde B-horizont in de top van deze pleistocene rivierafzettingen. In andere boringen is de top van de Formatie van Sterksel licht tot zwak humeus en relatief bruin gekleurd. Dit duidt op een langdurige ligging aan het oppervlak van dit geologische pakket. In principe zouden hier archeologische resten vanaf het midden-paleolithicum kunnen worden aangetroffen. Lokaal komen in depressies van dit rivierterrasniveau op circa 3,8/3,9 m +NAP (65 à 130 cm -mv) oudere bodems voor in ingewaaid dekzand. Mogelijk betreft het hier een oude bodem uit het Laat Glaciaal, waarin archeologische resten uit de laat-paleolithicum voor kunnen komen.In het centraal westelijke deel is aan het maaiveld sprake van een cluster aan vondstmateriaal uit de late middeleeuwen B tot en met de nieuwe tijd B. Gezien de geconcentreerde ligging van de vondsten is hier vermoedelijk sprake van een vindplaats. De vindplaats dateert op basis van het vondstmateriaal uit de late middeleeuwen B tot en met de nieuwe tijd B. Eventuele sporen van een nederzetting uit deze periode worden direct onder de bouwvoor verwacht vanaf 30 cm -mv. Tevens worden hier resten van (boeren)nederzettingen vanaf het neolithicum verwacht.Het noordwestelijke en noordelijke deel van het plangebied, inclusief een smalle strook westelijk van het oude bouwlandcomplex, wordt grotendeels gekenmerkt door het voorkomen van oude ploeglagen. De boringen met oudere ploeglagen zijn aangetroffen in een zone waar (verspoelde) dekzanden of oudere rivierafzettingen direct onder het humeuze 25 à 40 cm dikke humeuze dek voorkomen. Deze oudereploeglagen kunnen dateren vanaf het neolithicum tot en met de middeleeuwen. In en rondom deze zone met oudere ploeglagen worden (boeren)nederzettingen en aanverwanten verwacht.In het oostelijke deel van het plangebied waar een matig dik tot dik humeus (plaggen)dek voorkomt geldt een hoge archeologische verwachting op het aantreffen van (nederzettings)resten van landbouwers uit het neolithicum tot en met de middeleeuwen. Eventueel aanwezige archeologische resten worden vanaf 45 cm -mv verwacht. De aanwezigheid van een plaggendek zal eventueel aanwezige archeologische resten goed beschermd hebben tegen latere bodem verstorende activiteiten.Gezien het ontbreken van een podzolbodem in het dekzand worden ondiep voorkomende resten behorende bij jagers-verzamelaars uit de steentijd niet meer “in situ” verwacht. Wel bestaat er een middelhoge archeologische verwachting op het aantreffen van resten van jagers-verzamelaars uit het paleolithicum in de begraven bodems in het dekzand en/of in de hogere delen van het rivierterras behorende bij de Formatie van Sterksel. Deze (begraven) bodems komen binnen het plangebied op variabele dieptes tussen 30 en 130 cm -mv voor.In de met klei opgevulde delen van het Sterksel rivierterras, in de zones met hoofdzakelijk afgetopte veldpodzolgronden en in de gebieden waar diepe bodemverstoringen plaats hebben gevonden geldt een lage archeologische verwachting voor alle perioden.BAAC adviseert om in de gebieden met 1) een middelhoge of 2) een middelhoge en hoge archeologische verwachting bodemverstorende ingrepen zo veel mogelijk te vermijden. Indien dat niet mogelijk is adviseert BAAC om een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren (4,83 ha).Tevens adviseert BAAC om in de gebieden met een middelhoge en hoge archeologische verwachting de metalen frames waarop de zonnepanelen rusten niet dieper aan te leggen dan 25 cm -mv. Indien dat niet mogelijk is, dient een berekening te worden gemaakt van het totaal oppervlak dat verstoord gaat worden. Het bevoegd gezag bepaald of zij dit als een bedreiging voor de eventueel aanwezige archeologische waarden ziet. Zo ja, dan dient ook ter plaatse van de aan te leggen zonnepanelen een vervolgonderzoek door middel van een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden.De gebieden met een lage archeologische verwachting voor alle perioden (5,36 ha) adviseert BAAC vrij te geven voor archeologisch vervolgonderzoek.