Zijn er nog intacte bodemlagen aanwezig of is het terrein (grotendeels) afgegraven?De onderzoekslocatie ligt in het zuidoostelijk deel van deWestergo. Aan het einde van het Pleistoceen lag in dit gebied het Boornedal. Gedurende het Holoceen raakte dit dal opgevuld met marine sedimenten. Al in de IJzertijd en mogelijk zelfs Bronstijd waren op de onderzoekslocatie kwelders aanwezig.Na de Romeinse Tijd is het kwelderniveau afgedekt met een nieuwe laag sediment vanuit een getijdengeul ten noorden en westen van de onderzoekslocatie.Het terrein is in de 19e eeuw integraal 0,5 – 1,0m afgegraven. Hierna is op de onderzoekslocatie een nieuwe bouwvoor gevormd. Ook de terp die op de onderzoekslocatie lag, is volledig afgegraven. Resten ervan zijn met het blote oog nog te herkennen op het centrale deel van de onderzoekslocatie.In het booronderzoek zijn geen terp-ophogingslagen meer aangetroffen.Door de afgraving zal het grootste deel van de ondiepe sporen van de state zijn verdwenen. Alleen de diepere sporen (>0,5 m) zullen waarschijnlijk bewaard zijn gebleven.De huidige vergravingsdiepte van de bodem varieert tussen 0,2 – 2,3 m –mv, waarbij de diepste vergravingen aanwezig zijn ter plaatse van het centrale terreindeel en ter plaatse van de grachten. Er zijn in het booronderzoek geen aanwijzingen gevonden voor diepploegen van de aanwezige bodem.Op het grootste deel van de onderzoekslocatie is in de ondergrond een oud oppervlak aanwezig. Dit oppervlak betreft een kwelderniveau dat in de IJzertijd bewoond was. Op het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie is op dit kwelderniveau aardewerk aangetroffen dat in situ lag. Deze vondsten vormen een sterke aanwijzing dat ten minste op het zuidwestelijk terreindeel sprake is van een nederzettingsterrein. Het oude oppervlak is nagenoeg op de gehele locatie aanwezig met uitzondering van de plaatsen waar diepere vergravingen aanwezig zijn (het centrale terreindeel en de grachten). Hoewel buiten het zuidwestelijk terreindeel geen in situ vondsten zijn gedaan in het oud oppervlak, blijft deze laag een hoge trefkans houden op intacte archeologische resten en/of sporen uit de periode IJzertijd. Het kwelderniveau is waarschijnlijk vanaf de Romeinse Tijd afgedekt met jonger sedimenten.2 Wat is de exacte locatie geweest van de grachten rond het statenterrein? Is in de grachten een gelaagdheid te onderscheiden? Wat is de archeologische waarde van hun vulling?Op basis van het bureau-onderzoek werden op de onderzoekslocatie een binnengracht, een mogelijke tweede binnengracht op het zuidoostelijke terreindeel en een buitengracht verwacht. Op basis van het booronderzoek mag worden geconcludeerd dat de buitengracht niet veel breder is geweest dan de momenteel aanwezige sloten. Hierbij moet wel worden bedacht dat het terrein vroeger 0,5 – 1,0 m hoger lag dan nu het geval is; mogelijk was de breedte van de sloten daarom iets breder dan de huidige sloten. De binnengracht is op het noordoostelijke deel aangetroffen in twee boringen: 111 – 112. De diepte van de gracht bedroeg 1,7 – 2,3 m. De vulling van de gracht bestaat uit een zwarte zwak humeuze, sterk siltige klei die is afgedekt met dempingsmateriaal bestaande uit sterk siltige klei met puin. In de humeuze vulling zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Gezien de humeuze en kleiige aard van de vulling zullen de conserveringsomstandigheden voor organisch materiaal goed zijn.3 Wat kan er gezegd worden over de opbouw, omvang en begrenzing van het statenterrein?Op basis van de boringen mag worden geconcludeerd dat de kans op intacte archeologische resten van de state op het centrale terreindeel het grootst is.Ter plaatse van de gebouwen die staan weergegeven op de historische kaart van de state, zijn in het booronderzoek grote hoeveelheden puin en mogelijk ook funderingen aangetroffen. De grachten en wegen die op de kaarten staan aangegeven, komen vrij nauwkeurig overeen met de in de boringen aangetroffen vullingen. Van de vakkenstructuur op de delen buiten het centrale stateterrein is in het booronderzoek niets teruggevonden. De singels zijn op basis van bodemopbouw niet te onderscheiden van het stateterrein.De buitengracht lijkt de begrenzing te zijn van het stateterrein.4 Zijn er archeologische grondsporen, muur- of funderingsresten of vondsten aangetroffen? Wat is hiervan de aard, omvang en conservering?Op de onderzoekslocatie is sprake van twee vindplaatsen. De eerste vindplaats bestaat uit de resten van het stateterrein en het Labadistenklooster.Deze resten bestaan voornamelijk uit puin en funderingen. De aangetroffen archeologische indicatoren en resten komen vrij goed overeen met de op basis van de historische kaart verwachte elementen (zie afb. 16)Ook zijn fosfaatvlekken, aardewerk, bot en houtskool aangetroffen. Het aardewerk kan worden gedateerd op de periode 15e – 19e eeuw. Het aangetroffen bot betreft dierlijk materiaal waarvan de conserveringssituatie goed te noemen is. De funderingsresten beperken zich tot het centrale terreindeel en de toegang van het stateterrein. In twee slootkanten op het centrale terreindeel zijn deze funderingsresten te zien.In het onderzoek zijn met zekerheid twee gedempte grachten aangetroffen. De twee grachten zijn gedempt met puinhoudende siltige klei. Onder het dempingspakket is een humeuze grachtvulling aanwezig waarin archeologische resten potentieel goed geconserveerd zijn. In het onderzoek zijn in de grachtvulling geen archeologische resten waargenomen.De tweede vindplaats bestaat waarschijnlijk uit een vlaknederzetting uit de IJzertijd.Op de gehele onderzoekslocatie, met uitzondering van een deel van het centrale terreindeel en de grachten, is een oud oppervlak aanwezig. Dit oude oppervlak bestaat uit een humeuze kleilaag met plantenresten op een diepte tussen 0,4 – 1,35 m –mv. In deze laag zijn in drie boringen in totaal 102 fragmenten aardewerk aangetroffen.Op het centrale terreindeel zijn hiernaast in een vergraven context nog vier fragmenten aardewerk uit deze periode aangetroffen. Hiernaast is een aantal (verbrande) goed geconserveerde botfragmenten aangetroffen. Op basis van de vondsten lijkt de nederzetting voornamelijk aanwezig te zijn geweest op het zuidwestelijke terreindeel. Het overige deel van het terrein heeft door de intactheid van het oude oppervlak een hoge trefkans op het voorkomen van resten uit de IJzertijd.Er kan worden geconcludeerd dat op de plaatsen waar geen resten van de state aanwezig zijn, op grote delen van de onderzoekslocatie een oud oppervlak aanwezig is dat in de IJzertijd bewoond werd.
Issued: 10 november 2010