Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (20048.002) Jachthoornlaan 16 te Apeldoorn

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen en een lage verwachting voor de periode Nieuwe tijd. Het plangebied ligt namelijk op een oost-west georiënteerde daluitspoelingswaaier en vormt de overgangs-/randzone van de ten westen gelegen Oost-Veluwse stuwwal naar het ten oosten gelegen Pleistocene dal van de IJssel (het IJsselbekken). Voor jagers-verzamelaars (Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) zal het plangebied waarschijnlijk wel een voldoende gunstige ligging hebben gehad, alhoewel in de directe omgeving waarschijnlijk geen sprake is van (een) natuurlijke waterbron(nen) (geen natuurlijke depressies/beekdalen in de directe nabijheid van het plangebied). Ook voor landbouwers had het plangebied geen ongunstige ligging als nederzettingslocatie, alhoewel het in een landschap ligt waar bodems zijn ontwikkeld met een relatief lage natuurlijke vruchtbaarheid en daardoor minder geschikt waren voor prehistorische en latere landbouwactiviteiten. Het plangebied valt ook buiten de gebieden die tot de enken/oude bouwlandcomplexen hebben gehoord, maar juist voor langere tijd deel heeft uitgemaakt van de gebieden van woeste gronden/heidegebied. Tot op heden zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen archeologische vondsten gedaan uit de Steentijd dan wel uit de Late-Prehistorie. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat er tot op heden geen archeologische onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied zijn uitgevoerd. Resten en sporen van een mogelijk laatprehistorische en een Nieuwe tijd boerderijplaats zijn aangetroffen circa 500 meter ten oosten en 600 meter ten zuidoosten van het plangebied. Verder zijn binnen het onderzoeksgebied meldingen bekend van ophogingen (wellicht grafheuvels?) uit vermoedelijk de Neolithicum – Bronstijd.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten zien dat binnen het zuidwestelijke/zuidelijke en het noordoostelijke deel van het (onbebouwde deel van het) plangebied nog sprake is van een merendeels intact oorspronkelijk/van nature gevormd bodemprofiel. Tot circa 60 cm -mv komen recent geroerde/verstoorde lagen grond en waarschijnlijk ook deels opgebrachte grond/een ophoog-laag, ten behoeve van de huidige inrichting. Hieronder is een intact restant van de van nature gevormde haarpodzolgrond aanwezig, gevormd in de top van het aanwezige pakket sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingswaaierafzettingen. Voornamelijk gaat het om een dun intact restant van de inspoelings-Bhs- en de navolgende overgangs-BC-horizont, tussen circa 60 en 85 cm -mv. Bij de boringen in het zuidwestelijke deel van het plangebied (voortuin) is ook nog een restant van een Ap-/AEp-horizont aanwezig, als onder deel van de bewerkte minerale bovenlaag/oorspronkelijke bouwvoor. Het archeologisch potentiële sporen-niveau is in ieder geval nog intact aanwezig in het zuidwestelijke/zuidelijke en het noordoostelijke deel van het plangebied, dat vooral in gebruik is als siertuin. Archeologische sporen, indien aanwezig, zullen meest duidelijk zichtbaar zijn in de BC-horizont en op de overgang naar de C-horizont, tussen circa 70 en 85 cm -mv.

Alleen bij de boringen 2 en 6 hebben diepgaande verstoringen plaatsgevonden tot circa 120 en 150 cm -mv. De onverstoorde bodemopbouw betreft direct de C-horizont. Daarmee reiken verstoringen tot minimaal 35 cm in de oorspronkelijke top van de C-horizont, dan wel dieper. Voor de terreindelen direct rondom deze boringen is de verwachting dat het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau volledig zal zijn verstoord zijn. De bestaande woning binnen het plangebied is voorzien van funderingen tot een diepte van circa 110 cm -mv. Ontgravingen ten behoeve van de bouw van deze woning zullen daarmee ook tot minimaal deze diepte reiken (aanleg van een bouwkuip), en daarmee dus ook minimaal 25 cm in de oorspronkelijke top van de C-horizont. Binnen het bebouwde oppervlak zullen het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau ook al vrijwel volledig verstoord zijn.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het zuidwestelijke/zuidelijke en het noordoostelijke deel van het (onbebouwde deel van het) plangebied zijn middelhoge verwachting behoudt op het voorkomen van archeologische (nederzettings)sporen daterend vanaf het Laat-Neolithicum t/m de Late-Middeleeuwen. Voor het overige deel van het plangebied dient verder de archeologische verwachting voor alle perioden bijgesteld te worden naar een lage verwachting (zie kaart 19).

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen in ieder geval het zuidwestelijke/zuidelijke en het noordoostelijke deel van het (onbebouwde deel van het) plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren (zie kaart 19). Hier is namelijk sprake van een deels intacte oorspronkelijke bodemopbouw. Omdat archeologische vindplaatsen kunnen worden verwacht met een lage, matige dan wel een hoge spoor-/vondstdichtheid, wordt geadviseerd het vervolgonderzoek in de vorm van een gravend onderzoek te laten uitvoeren. Vindplaatsen met een lage spoor-/vondstdichtheid kunnen met een karterend booronderzoek worden gemist en is dan ook niet geschikt als vervolgonderzoek. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek en nadat het plangebied vrij is gemaakt van de bestaande begroeiing/verhardingen en bij voorkeur ook de bestaande bebouwing is verwijderd/gesloopt. Door middel van het proefsleuvenonderzoek kan tevens een toetsing plaatsvinden van de grofmazige verstoringsgrens (verwachte intact versus verstoorde bodemopbouw).

Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Afhankelijk van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kan vervolgens door de bevoegde overheid (SAGA) nog besloten worden tot de noodzaak van uitbreiding van het onderzoek naar een opgraving. Hiertoe kan in het PvE een optie tot doorstart naar een definitieve opgraving worden opgenomen, wat de besluitvorming ten bate van verlening van een omgevingsvergunning met betrekking tot de archeologie kan versnellen.

Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is alleen mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt door niet dieper te ontgraven dan 30 cm onder het huidige maaiveld (bijvoorbeeld door het plangebied/de terreindelen op te hogen). In de praktijk zal dit lastig uitvoerbaar zijn, gezien de wens te gaan bouwen op de vaste ondergrond (‘bouwen op geel zand’) en het aanleggen van nieuwe nutsvoorzieningen (waarvoor sleuven zullen worden uitgraven).

Voor de terreindelen direct rondom de boringen 2 en 6 en het bestaande bouwoppervlak wordt het advies gegeven voor vrijgave ten aanzien het onderdeel archeologie. Door de waargenomen verstoringen zullen archeologische resten niet meer in situ aanwezig zijn en is het archeologisch potentiële sporenniveau diep aangetast.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. Ten aanzien van de terreindelen direct rondom de boringen 2 en 6 en het bestaande bouwoppervlak kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

De bevoegde overheid (gemeente Apeldoorn) stemt grotendeels in met de conclusies van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek. De archeologische verwachting voor het plangebied buiten de huidige bebouwing (exclusief de garage) blijft vooralsnog middelhoog en valt daarmee onder beleidscategorie 4, waarvoor een vrijstellingsgrens ten aanzien van bodemverstoring geldt van 500 m² en 35 cm diepte.

Dit geldt in principe niet voor de locatie direct rondom de boringen 2 en 6. Daar is in de boringen een diepe verstoring en daardoor afwezigheid van archeologisch relevante bodemlagen geconstateerd. Omdat echter niet duidelijk is tot hoever deze verstoring zich om de twee boringen heen uitstrekt, blijft ook hieromheen vooralsnog de verwachting middelhoog (categorie 4) totdat nader waarderend onderzoek dit zal vaststellen.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/WXQDBN
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/WXQDBN
Provenance
Creator Broeke, E.M. ten
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy; Broeke, E.M. ten
Publication Year 2023
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 15355017
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem