Het project IVO-P en DO Verleggen PRB leiding langs A2 omvat Deelgebied A (gemeente Echt-Susteren) en Deelgebied B en C (gemeente Sittard-Geleen). Het onderzoek bestond zowel uit proefsleuven als deelopgravingen. De deelopgravingen zijn uitgevoerd binnen het gemeentelijk gebied van Sittard-Geleen. Het projectnummer van Econsultancy is 12532.001 en het projectnummer van Antea Group is 462812. De resultaten van Deelgebied A en Deelgebied B en C, worden hier apart beschrijven.DEELGEBIED A (gemeente Echt-Susteren): Gevolgde onderzoeksmethode In Deelgebied A dienden conform het Programma van Eisen en het Plan van Aanpak 22 proefsleuven van 25 bij 5 meter te worden aangelegd: 10 proefsleuven in Sectie A (noordzijde) en 12 proefsleuven in Sectie B (zuidzijde). Door ontbrekende bestredingstoestemming waren in één zone in eerste instantie geen proefsleuven gepland, namelijk tussen de Holtummerweg en Elzenbroekerweg bij Holtum. In een later stadium zijn in deze zone nog twee proefsleuven aangelegd. Daarnaast zijn drie proefsleuven komen te vervallen, omdat op deze locatie, beneden de Geleenbeek, een HDD boring uitgevoerd zou worden en geen open ontgraving. Als gevolg zijn in totaal 21 proefsleuven aangelegd in Deelgebied A. Omdat binnen Deelgebied A geen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen zijn aangetroffen, is geen doorstart naar deelopgravingen uitgevoerd.Resultaten proefsleuvenonderzoek De bodemopbouw in Deelgebied A bestaat, op de Midden-Pleistocene Maasterrassen in het uiterste zuiden van Sectie B na, uit Maasafzettingen uit het Jonge Dryas die gedurende het Holoceen zijn afgedekt met een oeverdek dat is gevormd door zowel de Maas als de Geleenbeek. Plaatselijk, met name ter plaatse van de in Deelgebied A aanwezige restgeulen, zal het landschap lange tijd relatief nat zijn geweest. Op de iets hoger gelegen terrasvlaktes tussen de geulen waren de bodems beter gedraineerd en dus droger, waardoor zich verbruinings (Bw)-horizonten konden vormen.Het merendeel van de sporen aangetroffen in Deelgebied A bevatte geen (diagnostisch) vondstmateriaal, en kunnen waarschijnlijk als natuurlijk (plant-/boomgaten) of als (sub)recente sporen geïnterpreteerd worden. Op basis van het historisch kaartmateriaal blijkt dat deze sporen hoofdzakelijk met landgebruik (boomgaarden en perceelindelingen) en landelijke infrastructuur uit de 20e eeuw in verband gebracht kunnen worden. In twee sporen zijn drie fragmenten handgevormd aardewerk aangetroffen die globaal in de in de Late-IJzertijd tot en met de Midden-Romeinse tijd (250 voor Chr. tot en met 100 na Chr.) gedateerd kunnen worden. Analyse van de sporen en lokale bodemopbouw heeft echter uitgewezen dat de betreffende sporen waarschijnlijk natuurlijk zijn, namelijk een vegetatiehorizont, in de top van een overstromings- of oeverdek en dat het keramisch vondstmateriaal in een verspoelde, secundaire context is aangetroffen. Andere vondsten betreffen Romeinse dakpanfragmenten, een fragment van een Romeinse munt, een koper draadje, en een loden kogel uit de Vroege- en Late-Nieuwe tijd. Deze laatste vondsten zijn als aanlegvondsten aangetroffen in Sectie A (noordzijde) van Deelgebied A, naar alle waarschijnlijkheid ook in een secundaire context.Selectieadvies Ter plekke van Deelgebied A: Echt-Susteren vallend onder OTB verbreding A2, gemeente Echt-Susteren zijn geen behoudenswaardige archeologische resten aangetroffen. Het advies is daarom om het leidingtracé binnen zowel Sectie A en B van Deelgebied A vrij te geven in deze fase van de Archeologische Monumentenzorg-cyclus. Het definitieve besluit zal worden genomen door de bevoegde overheid, de gemeente Echt-Susteren.DEELGEBIED B en C (gemeete Sittard-Geleen): Gevolgde onderzoeksmethode In Deelgebied B en C dienden, conform het Programma van Eisen, 65 proefsleuven van 25 bij 5 meter te worden aangelegd. Meer precies dienden in Deelgebied B 28 proefsleuven en in Deelgebied C 37 proefsleuven aangelegd te worden. Hiervan zijn zes proefsleuven komen te vervallen vanwege de uitvoering van HDD-boringen waarbij geen open ontgraving werd toegepast. Als gevolg zijn uiteindelijk 22 proefsleuven in Deelgebied B en 37 proefsleuven in Deelgebied C uitgevoerd. Daarnaast zijn 46 extra tussensleuven van 20 bij 4 meter aangelegd tussen de oorspronkelijk geplande proefsleuven, en binnen het geplande leiding tracé. 17 tussensleuven zijn aangelegd in Deelgebied B en 29 tussensleuven in Deelgebied C. Deze tussensleuven zijn aangelegd nadat de teelaarde reeds voor de civieltechnische werkzaamheden was verwijderd. Tijdens het veldwerk zijn systematisch inspecties uitgevoerd van het verwijderen van de teelaarde om er voor te waken dat het archeologisch relevante niveau niet vergraven werd. Daarnaast zijn acht deelopgravingen uitgevoerd op locaties waar behoudenswaardige archeologische vindplaatsen zijn aangetroffen.Zes deelopgravingen lagen binnen Deelgebied C en twee deelopgravingen binnen Deelgebied B. De deelopgravingen zijn uitgevoerd in stroken van 4 à 5 meter breed. Vanwege civieltechnische redenen was het niet mogelijk om het archeologisch leesbare vlak in een keer aan te leggen. Dit hield verband met de eis dat de top van de natuurlijke afzettingen - in de regel de Bt-horizont - binnen de werkstrook afgezet diende te worden en niet op het omliggende maaiveld.Resultaten van het onderzoek Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat Deelgebied B en C liggen in een glooiend landschap dat deels geleidelijk en deels abrupt afloopt van het zuiden naar het noorden. De ondergrond bestaat uit Midden- en Laat-Pleistocene Maasterrassen. Van zuid naar noord betreft dit het Caberg-2, het Caberg-3 en het Eisden-Lanklaar Maasterras. De overgangen binnen en tussen de verschillende Maasterrassen worden gemarkeerd door steilranden. Op deze Maasterrassen is in het Saalien/Vroeg-Pleistoceen en Laat-Pleistoceen löss afgezet. Oorspronkelijk heeft zich in de top van de lössafzettingen een radebrikgrond ontwikkeld.In Deelgebied B en C bestond de bodemopbouw in de huidige situatie hoofdzakelijk uit een bouwvoor van circa 40 centimeter dik op de Bt-horizont. Alleen lokaal was nog een restant van een E-horizont aanwezig. Dit gegeven in combinatie met het feit dat de top van de Bt-horizont plaatselijk een grillig verloop had, duidt op enige erosie van de natuurlijke bodemopbouw. Ook de plaatselijke aanwezigheid van een dun colluviumdek op de lössbodem wijst op enige mate van erosie en verspoeling. De bodems binnen Deelgebied B en C zijn daarom geclassificeerd als bergbrikgronden. Een enigszins afwijkende bodemopbouw is waargenomen binnen waarschijnlijk een droogdalensysteem op het Caberg-3 Maasterras ten noorden van de Schutterskampweg. Hier is plaatselijk een opvallend wit zandpakket aanwezig, dat naar alle waarschijnlijkheid als zilverzand (Formatie van Breda, Laagpakket van Heksenberg) kan worden geïnterpreteerd. Dit zilverzand betreft kustmariene afzettingen uit het Vroeg-Mioceen, die op deze locatie waarschijnlijk secundair is afgezet op de Bt-horizont. Uitgaande van het fysisch-geografische onderzoek kan geconcludeerd worden dat archeologische waarden redelijk tot goed bewaard gebleven moeten zijn. Deze archeologische waarden kunnen in de regel in de top van de Bt-horizont verwacht worden. Alleen de conserveringstoestand van niet verkoold organisch materiaal is over het algemeen slecht in lössbodems vanwege een lage grondwaterstand en goed ontwatering van de bodem. Dit kon tijdens het veldonderzoek worden bevestigd.Op acht locaties binnen Deelgebied B en C zijn vindplaatsen aangetroffen. Landschappelijk lagen deze vindplaats op het Caberg-2 en Caberg-3 terras, en meer specifiek aan de top van steilranden of centraal op de plateaus tussen de steilranden.De vindplaatsen konden gedateerd worden in de perioden lopende vanaf het Laat-Neolithicum tot de Late-Middeleeuwen. De meest prominente vindplaatsen, met duidelijke sporen van bewoning en structuren, vallen chronologisch binnen de Late-Bronstijd, IJzertijd en Romeinse tijd. Dit betreft Vindplaats 1, 2, 4, 5 en 8. Vindplaats 7 valt ook binnen de Vroege- en Midden-IJzertijd, maar lijkt alleen enkele sporen te bevatten behorend bij een periferie van een nederzetting. Vindplaats 3 kon daarentegen in de Late-Middeleeuwen gedateerd worden en Vindplaats 6 in verschillende uiteenlopende perioden lopende vanaf het Laat-Neolithicum tot de Romeinse tijd. De dateerbare en als archeologisch te definiëren sporen binnen Vindplaats 6 waren dun verspreid, en lijken waarschijnlijk het resultaat van off-site activiteiten.Op de vindplaatsen uit de Late-Bronstijd, IJzertijd en Romeinse tijd zijn paalkuilen, kuilen en in een enkel geval greppels aangetroffen. Uit de paalkuilen konden in totaal dertien structuren gereconstrueerd worden, die op basis van de verkregen dateringen binnen de individuele vindplaatsen gelijktijdig geweest lijken te zijn. Typologisch bestonden deze structuren uit 3-, 4- en 8-/9-palige spiekers en (bij)gebouwen bestaande uit twee parallelle palenrijen van in totaal 10 en 12 palen.Deze (bij)gebouwen lijken een agrarische functie gehad te hebben voor opslag van voedsel of andere landbouwproducten en misschien deels ook voor het stallen van vee. Daarnaast kan een interpretatie als een woning (kleine boerderij) ook niet geheel uitgesloten worden, met name voor de 10- en 12-palige structuren (Structuur 3 en 4) ter plekke van Vindplaats 4 uit de Late-Bronstijd en Vroege-IJzertijd.Rondom de structuren zijn kuilen aangetroffen. Van enkele kuilen, met name ter plekke van Vindplaats 4 en 8, kon worden vastgesteld dat ze waarschijnlijk in een eerste fase als voorraad- of leemextractiekuilen zijn gebruikt en in een latere of laatste fase als afvalkuilen gevuld met nederzettingsafval. In ieder geval kan geconcludeerd worden dat het onderzoek in Deelgebied B en C heeft geresulteerd in de vondst van resten van tenminste vijf plattelandsnederzettingen uit de Late-Bronstijd, IJzertijd en Romeinse tijd.Het vondstmateriaal bestaat uit aardewerk, huttenleem, glas, vuursteen, natuursteen, metaal, metaalslakken en grondmonsters met houtskool. Deze vondsten zijn hoofdzakelijk aangetroffen in de vulling van kuilen en paalkuilen.Het aardewerk bestaat uit lokaal, handgevormd aardewerk en in één geval gedraaid, importaardewerk uit de Midden- en Laat-Romeinse tijd. De basale kenmerken van het handgevormde aardewerk waren een magering van potgruis, kwartsgruis of een combinatie van pot- en kwartsgruis, en een geglad of gepolijst oppervlak. Een deel van het aardewerk was aan de buitenzijde licht of grof besmeten. Een aantal aardewerkfragmenten kon op basis van potvormen, bijvoorbeeld twee- of drieledige potvormen, en versiering, zoals vingertopindrukken en Kalenderbergversiering, verder geclassificeerd worden. Bijzondere vondsten van aardewerk waren twee vingertopindrukken versierde spinstenen, een archeologisch complete pot, en een slingerkogel.Het aangetroffen huttenleem vertoonde deels indrukken van rondhout en takken, hetgeen wijst op gebruik als bouwmateriaal, en meer specifiek op het aansmeren van vlechtwerkwanden.Vuursteen is maar sporadisch aangetroffen en merendeels niet bewerkt. Een enkel vuursteen artefact kan gedateerd worden in het Mesolithicum en Neolithicum, maar is in secundaire contexten (niet in situ) aangetroffen. Van een deel van het vuursteen kan geconcludeerd worden dat het waarschijnlijk uit de Late-Prehistorie dateert.Het natuursteen, aangetroffen op bijna alle vindplaatsen, is gebruikt als kook- en/of haardstenen. Het aangetroffen glas, de metaalvondsten en metaalslakken dateren hoofdzakelijk uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd.Van de houtskoolmonsters kon vastgesteld worden dat deze onder andere verkoolde zaden van gerst, pluimgierst en eikels bevatten en boomsoorten zoals eik, els, hazelaar en wilde liguster.De resultaten van het onderzoek sluiten aan bij eerdere opgravingen in de regio, in het bijzonder nederzettingen uit de IJzertijd. Meerdere structuren kunnen op basis van hun plattegrond gekoppeld worden aan structuren en typologieën, van andere opgravingen zoals het project Maastricht-Aachen Airport (MAA). Ook andere sporen kunnen in een regionale context geplaatst worden, zoals voorraad-, leemextractie- en afvalkuilen en hun gefaseerde gebruik. Geconcludeerd kan worden dat het proefsleuvenonderzoek en de deelopgravingen geresulteerd hebben in een rijke hoeveelheid aan archeologische gegevens, die informatie verschaffen over plattelandsbewoning uit de Late-Bronstijd, IJzertijd en Romeinse tijd en de landschappelijke setting hiervan binnen het Zuid-Limburgse lössgebied.
Files not yet migrated to Data Station. For access to these files, please contact DANS at info@dans.knaw.nl.