Eerste bevindingen fase 1 (5-11 t/m 24-11-2020):
-
De bodemopbouw is vooralsnog vrij overzichtelijk met onder het cunetzand een (akker?)pakket (5010) uit waarschijnlijk de nieuwe tijd en een akkerlaag uit de Romeinse tijd (5020). Richting het oosten wordt die laatste wat dikker en het pakket bevat vrij weel vondstmateriaal uit die periode, hoofdzakelijk aardewerk, maar ook enkele munten en beslagstukken. Daaronder bevindt zich de C-horizont (5030).
-
In de meest oostelijke vakken is een nieuwe laag aanwezig, laag 5015. Laag 5020 ligt hieronder en is hier wat donkerder maar het lijkt nog wel om de Romeinse akker te gaan. Wellicht heeft laag 5015 eveneens een Romeinse oorsprong. Waarschijnlijk hangt deze verandering samen met veranderingen in het reliëf van de helling van het Hengstdal. Tijdens project Co3 kon worden geconstateerd hier geen sprake is van een glooiende helling, maar van een min of meer getrapt profiel, aangezien de bodemlagen steeds horizontaal doorliepen. Laag 5015 lijkt te relateren aan een van die lagen.
-
Vanaf vak 11 begonnen zich grondsporen aan te dienen die vermoedelijk bij de canabae legionis horen. Als eerste tekenden zich twee noord-zuid gerichte parallel aan elkaar lopende greppels af. Daarna zijn diverse kuilen en paalsporen vastgelegd. De sporen zijn nog relatief goed intact en een aantal bevat Romeins aardewerk of tefriet. In vak 21 leek een kringgreppel aanwezig, maar in het profiel tekende deze greppel zich niet als zodanig af. De greppel was behoorlijk diep, bevatte meerdere vullingen en de binnenruimte was wel erg klein om nog een graf te kunnen herbergen.
Start fase 2 op 18-1-2021.
Eerste bevindingen fase 2 (18-01 t/m 4-2-2021):
Dit deel van het plangebied heeft veel minder sporen opgeleverd met slechts een greppel en vier kuilen, waarschijnlijk alle uit de Romeinse tijd. Het vondstmateriaal is ook veel beperkter qua hoeveelheid en omvat behalve enkele scherven Romeins aardewerk vooral baksteen uit die periode. De weinige metaalvondsten lijken vooral uit de nieuwe tijd afkomstig te zijn. Ter plaatse van een van de infiltratieputten zijn we gestuit op een concentratie transportdoppen van 25 ponder en 5,5 inch granaten uit de Tweede Wereldoorlog.
De bodemopbouw komt grotendeels overeen met die in de meest oostelijke vakken van fase 1, met nog een extra (Romeins?) akkerpakket. Het pakket wegcunetzand voor de Hengstdalseweg wordt in oostelijke richting nu snel dikker, tot zo'n 1,5 m.
Start fase 3 op 8-3-2021.
Eerste bevindingen fase 3 (8 t/m 23-03-2021):
In dit deel van het tracé (ca. 170 strekkende meters) zijn slechts vijf archeologisch relevante grondsporen aangetroffen. Het gaat om drie greppels en twee kuilen die op basis van de stratigrafische positie en/of vulling vermoedelijk uit de Romeinse tijd dateren. Beide kuilen bevatten houtskool, maar geen vondsten en ook verbrand bot ontbreekt. Ook de greppels hebben geen vondsten opgeleverd. Onder het dikke ophogingspakket is in het grootste deel nog de middeleeuwse/nieuwetijdse akkerlaag en Romeinse cultuurlaag aanwezig. De tussenliggende mogelijk Romeinse lagen van fase 1 en 2 zijn niet meer waargenomen. Gezien het lage aantal grondsporen en de zeer beperkte hoeveelheid vondsten, zeker ten opzichte van de eerste fase, lijkt het erop dat we met een archeologisch vrij lege zone te maken hebben.
Samenvatting rapport:
In het plangebied zijn 39 goed geconserveerde grondsporen gevonden. Deze concentreren zich hoofdzakelijk in de meest westelijk gelegen werkput. Van dit sporencluster, bestaande uit nederzetting gerelateerde sporen zoals kuilen, paalsporen en enkele greppels, lijken op basis van een aantal scherven van handgevormd aardewerk uit de ijzertijd tenminste enkele sporen uit deze periode te dateren. Gezien de lage aantallen aan diagnostisch vondstmateriaal kunnen de sporen echter evengoed (deels) verband houden met menselijke activiteiten uit Romeinse tijd. Vanwege de datering van de afdekkende cultuurlaag (eind 1e tot en met de 3e eeuw) mag daarbij in de eerste plaats worden gedacht aan de vroeg-Romeinse of Flavische tijd. Wellicht behoren ze nog tot een vroege bewoningsfase van de canabae legionis. In de twee oostelijker gelegen werkputten zijn elk vijf sporen aangetroffen die waarschijnlijk eveneens uit de ijzertijd of de vroegere fasen van de Romeinse tijd dateren. Omdat tijdens het onderzoek slechts een smalle strook is blootgelegd is de vindplaats niet goed te duiden. De grondsporen zijn aangetroffen tussen 46,30 m +NAP (ca. 0,9 m -mv) in het uiterste westen tot 55,30 m +NAP in het meest oostelijke deel van het onderzoeksgebied (ca. 1,6 m tot 2,1 m -mv). De sterke variatie in spoordieptes binnen het plangebied is grotendeels te verklaren door verschillen in het reliëf van de natuurlijke ondergrond, specifiek omdat het Hengstdal in oostelijke richting ter plaatse van het diepere deel en in het westen meer op de zuidelijke flank is aangesneden.