In opdracht van Universiteit Utrecht heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd in het tracé kabel ZP te Bunnik (gemeente Bunnik). Aanleiding voor het onderzoek is de aanleg van kabels deels in openontgraving op het perceel. De delen die in een openontgraving worden aangelegd hebben een totale lengte van circa 800 m. De ontgraving kent een breedte van circa 2,0 m en een maximale diepte van 1,0 m. Realisatie van de plannen kan leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische waarden.
Uit het archeologische bureauonderzoek dat door KSP Archeologie1 is uitgevoerd blijkt dat voor het tracé een middelhoge archeologische verwachting geldt op het aantreffen van archeologische resten uit de periode bronstijd tot en met de vroege nieuwe tijd. Geadviseerd is een verkennend booronderzoek uit te voeren voor het gehele tracé. Op basis van het verkennende booronderzoek2 is gebleken dat voor het westelijke tracé de verwachting op archeologische resten gehandhaafd blijf. Voor dit tracé, voor zover voorzien in een openontgraving is daarom een karterend booronderzoek geadviseerd.
De bodem in het tracé bestaat zoals op basis van het verkennende verwacht hoofdzakelijk uit oever- op beddingafzettingen. Alleen in het uiterste zuiden en noorden van het tracé is sprake van geulafzettingen. De geulafzettingen in het zuiden van het gebied behoren tot de Houten stroomgordel en de geulafzettingen in het noorden tot een kronkelwaardgeul van de Kromme Rijnstroomgordel. In de oeverafzettingen is in boring 23 en 25 op 0,8 m -mv (1,45 m NAQP) een laklaag aangetroffen. Een dergelijke laklaag markeert een periode van sterk verminderde of afwezige sedimentatie. In de laklaag noch in de overige oeverafzettingen zijn aanwijzingen voor archeologische resten aangetroffen. De kans dat archeologische resten aanwezig zijn wordt daarom klein geacht. In de oeverafzettingen is evenmin grind aangetroffen op basis waarvan een Romeinse weg in het tracé verondersteld
kan worden. Hoewel het gehanteerde boorgrid niet volstaat om een Romeinse weg, met een breedte van circa 6 m, in kaart te brengen kan het volledig ontbreken van grind wel degelijk gezien worden als een aanwijzing dat er geen sprake is van een dergelijke weg. Doorgaans is het grind van een Romeinse weg over een groter oppervlak verspreid door latere landbouwactiviteiten.
Aangezien er geen aanwijzingen voor archeologische resten zijn aangetroffen wordt geconcludeerd dat de voorziene aanleg van de kabels in het onderzochte deel van het tracé geen bedreiging vormen. Op basis van de resultaten van het karterende booronderzoek wordt voor het westelijke tracé geen vervolg van het archeologische onderzoek geadviseerd.
Bovenstaand advies dient voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Bunnik) in het kader van de vergunningsaanvraag en vormt de basis voor het selectiebesluit van de gemeente. Dit betekent niet dat reeds gestart kan worden met bodemverstorende activiteiten of de daarop voorbereidende activiteiten.