In opdracht van de gemeente Tiel heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in december 2011 een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in verband met de geplande herontwikkeling van twee schoollocaties in de gemeente Tiel. Het betreft de locatie van de Bredeschool De Achtbaan aan de Kievitstraat en de Prins Willem-Alexanderschool aan de Grote Brugse Grintweg. Dit onderzoek diende te worden uitgevoerd omdat realisatie van de plannen zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten. Doel van het veldonderzoek was inzicht te geven in de mate van intactheid van het bodemprofiel en zo mogelijk in de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen. Op basis van de onderzoeksresultaten en de aard en omvang van de voorgenomen bodemingrepen in het plangebied is vervolgens een advies met betrekking tot archeologisch vervolgonderzoek geformuleerd. Deelgebied De Achtbaan Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek gold bij de aanvang van het veldonderzoek voor het plangebied een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische overblijfselen uit de IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen. Met behulp van bouwdossieronderzoek is de funderingsdiepte van de bestaande bebouwing vastgesteld. Tijdens het veldonderzoek is één archeologische vindplaats aangetroffen in het zuid(west)elijke deel van het plangebied. Hier zijn in één boring archeologische indicatoren waargenomen in de top van de oeverafzettingen (tussen ca. 0,3 en 0,7 m -Mv). Met name het noordelijke en centrale deel van het plangebied kan worden aangenomen dat de ondergrond verstoord is tot onder het archeologisch relevante niveau. De resultaten van het onderzoek tonen aan dat er archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn in (een deel van) het plangebied. Daartegenover staat dat in een deel van het plangebied sprake is van een verstoorde bodemopbouw. Gezien de locatie van de nieuwbouw (welke grotendeels geprojecteerd is op de bestaande bebouwing, kan worden aangenomen dat de zone van de nieuwbouw grotendeels verstoord is tot aan de onderkant van de archeologische laag.Onder het uitgravingsniveau van de kruipruimte van het huidige schoolgebouw (0,7 m -Mv) kunnen echter archeologische sporen (oude ingravingen onder de archeologische laag) bewaard zijn gebleven. Voor deze zone wordt een archeologische begeleiding aanbevolen voor graafwerkzaamheden dieper dan 0,7 m -Mv. Voor een zone langs de zuidgrens van het plangebied geldt dat een vindplaats aanwezig is en dat bovendien de ondergrond (naar verwachting) daar niet of nauwelijks verstoord is. Voor de rest van het onbebouwde deel van het plangebied geldt dat onbekend is of de vindplaats zich tot daar uitstrekt en dat bovendien niet bekend is wat de mate van verstoring is: aan de noordkant van het plangebied kan sprake zijn van plaatselijke verstoring van de archeologische laag, maar ook van gehele verstoring tot 0,8-0,85 m -Mv. Onder de vastgestelde verstoring kan daarbij heel goed sprake zijn van bewaard gebleven archeologische sporen. Om verdere verstoring van de vindplaats te voorkomen worden de volgende maatregelen aanbevolen: in het momenteel onbebouwde deel van het plangebied een maximale verstoringsdiepte van de bovengrond van 0,3 m -Mv. Indien in deze zone toch bodemingrepen dieper dan 0,3 m -Mv gepland zijn, dan dient conform de AMZ-cyclus een nader archeologisch onderzoek plaats te vinden in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (IVO) waarderende fase, bestaande uit een proefsleuvenonderzoek. Doel van een dergelijk onderzoek is de vindplaats nader te dateren, te begrenzen (zowel in horizontale als verticale vlak) en te komen tot een waardestelling. Deelgebied Prins Willem-Alexanderschool Voor het deelgebied Prins Willem-Alexanderschool geldt een hoge archeologische verwachting, zoals is weergegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart. Het plangebied ligt ter plaatse van de (vroeg-)middeleeuwse nederzetting Zandwijk en het proefsleuvenonderzoek dat ten noorden van het plangebied is uitgevoerd heeft de aanwezigheid van archeologische sporen reeds bevestigd. Archeologische resten zijn direct onder de bouwvoor te verwachten, in de oeverafzettingen en de top van de onderliggende beddingafzettingen van de Linge-stroomgordel. Met behulp van bouwdossieronderzoek is de funderingsdiepte van de bestaande bebouwing vastgesteld. Tijdens het veldonderzoek is de aanwezigheid van een archeologische vindplaats uit de Middeleeuwen bevestigd. In alle boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen, tot een diepte van ca. 2,85 m -Mv. Geadviseerd wordt de vindplaats in het plangebied in situ te beschermen. Om verstoring van de vindplaats(en) te voorkomen worden de volgende maatregelen aanbevolen: een maximale verstoringsdiepte van de bovengrond van 1 m -Mv. Het slaan van heipalen dan wel het boren van palen wordt in deze situatie ook als bodemverstorend beschouwd. Indien besloten wordt dat de vindplaats niet in situ kan worden behouden, dan wordt geadviseerd de vindplaats op te graven. Een archeologische opgraving behoort plaats te vinden op basis van een Programma van Eisen (PvE). Dit PvE dient voor aanvang van de opgravingswerkzaamheden te worden opgesteld door een senior-archeoloog.