Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek kunnen met name archeologische resten worden verwacht uit de perioden Late-Bronstijd t/m Middeleeuwen. Daarvoor had het plangebied een ligging binnen een rivierterrasvlakte (Laagterras) dan wel binnen een sandrvlakte. In beide gevallen was sprake van een vlak landschap zonder markante reliëfverschillen en/of geulinsnijdingen, waardoor deze gronden weinig aantrekkelijk waren voor Jagers-Verzamelaars (Steentijd). De lage bodemvruchtbaarheid, relatief moeilijke bewerk-baarheid (grind/afdekking door klei) en droogtegevoeligheid maakte deze gronden voor Landbouwers bovendien weinig aantrekkelijk voor akkerbouw. Pas met het ontstaan van de jongste fase van de Ressense stroomgordel, vanaf circa 1000 voor Chr., kreeg het plangebied geleidelijk aan een ligging op een oeverwal. Het plangebied behield deze landschappelijke situatie ook tijdens het ontstaan van de stroomgordel van de Waal die vanaf circa 210 voor Chr. (Late-IJzertijd) tot heden actief is. De oeverzones waren aantrekkelijk voor bewoning. Verder hebben er langs de nabijgelegen Waaldijk verschillende dijkdoorbraken plaatsgevonden, waarbij diepe kolken (zgn. ‘wielen’) zijn ontstaan. Enkele van deze wielen zijn vandaag de dag nog zichtbaar ten noorden en noordoosten van het plangebied, langs de Waaldijk. Ten oosten van het plangebied hebben ook wielen gelegen. Het is dan ook waarschijnlijk dat het plangebied bedekt is geraakt met dijkdoorbraakafzettingen of overslaggronden. Wel dient rekening te worden gehouden dat tijdens de initiële fase van een dijkdoorbraak oudere oeverafzettingen zijn geërodeerd ter plaatse en in de direct nabijheid van deze wielen. Het plangebied heeft voor de periode Nieuwe tijd wel een lage verwachting, omdat geraadpleegd historisch kaartmateriaal geen aanwijzingen geeft dat het plangebied tot een historisch woonerf heeft behoort. Het kende een gebruik als akkerland en pas in de tweede helft van de 19e eeuw behoorde het waarschijnlijk tot de achtertuin van een erf dat later het woonperceel aan de Pastoor van der Marckstraat 33 vormde. In ARCHIS geregistreerde onderzoeken die in de directe omgeving van het plangebied zijn uitgevoerd, hebben tot op heden niet geresulteerd in het aantreffen van archeologische vindplaatsen. Wel is de verwachting dat een deel van de Romeinse hoofdroute meest waarschijnlijk heeft gelegen daar waar de huidige de Pastoor van der Marckstraat loopt. Hierbij dient rekeningen te worden gehouden dat gedeelten van deze Romeinse weg geërodeerd kunnen zijn nabij kolken/wielen ten gevolge van dijkdoorbraken die vanaf het moment van bedijking konden plaatsvinden (10e-12e eeuw).
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) bevestigen de aanwezigheid van jonge overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen. Tot een diepte van circa 145 cm -mv komt plaatselijk zwak grindig, bovenin zwak kleiig en naar onderen toe overgaand in zwak siltig, matig grof tot zeer grof zand voor en betreffen afzettingen die gesedimenteerd zijn in een hoog energetisch milieu. In de top bevindt bodemvorming zich in de initiële fase en er is een zeer zwak ontwikkelde verwerings-/verbruiningshorizont (1Bw-horizont) zichtbaar. De humeuze bovengrond/bouwvoor (veelal de bovenste 50 cm, dan wel dieper) is vooral ontstaan door agrarische bewerking, overeenkomend met het gebruik van het plangebied weergegeven op beschikbaar historisch kaartmateriaal uit begin 19e eeuw.
De jonge overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen liggen erosief op zwaarder getextureerde oeverafzettingen, in de vorm van sterk zandige klei, onderin overgaand in deels zwak grind, sterk kleiig, matig fijn zand. Voorafgaand heeft erosie plaatsgevonden van de oorspronkelijke top van het pakket oeverafzettingen plaatsgevonden. Op basis van het bureauonderzoek werden er oeverafzettingen verwacht gesedimenteerd tijdens de jongste fase van de Ressense stroomgordel en de oudste fase van de stroomgordel van de Waal. Of dat erosie reikt tot in het pakket oeverafzettingen gesedimenteerd tijdens de jongste fase van de Ressen-se stroomgordel (en dat daarmee het volledige pakket oeverafzettingen gesedimenteerd tijdens de oudste fase van de stroomgordel van de Waal is geërodeerd) kan geen uitsluitsel worden gegeven. Wel is duidelijk dat in het resterende pakket oeverafzettingen, tussen circa 145 en 205 cm -mv, geen vegetatiehorizon-ten/laklagen (paleobodems) aanwezig zijn.
Een vrij stugge, zwak grindige, sterk zandige kleilaag komt voor tussen gemiddeld 205 en 225 cm -mv. Mogelijk gaat het om de Laag van Wijchen, maar het zouden ook Vroeg-Holocene afzettingen betreffen die gesedimenteerd zijn in een komachtig gebied. Deze kleilaag ligt op een pakket matig tot sterk grindig, matig en naar onderen toe zwak siltig, matig grof tot zeer grof zand met vrij veel grote kiezels/stenen. Dit betreffen glaciofluviatiele afzettingen (ijssmeltwater-/sandrafzettingen). Kenmerken van bodemvorming zijn hierin verder niet waargenomen.
Alleen in de agrarisch bewerkte bouwvoor/bovengrond zijn spaarzaam enkele fragmenten aardewerk en een fragment/brok machinale baksteen aangetroffen met een subrecente tot recente datering (19e/20e eeuw). Het gaat zeer waarschijnlijk om bemestingsresten, welke door intensief agrarisch gebruik/ploegwerkzaamheden in de bovengrond terecht zijn gekomen. De karterende fase van het booronderzoek heeft verder geen archeologisch relevante indicatoren opgeleverd.
Conclusie
Op basis van de aangetroffen bodemopbouw wordt geconcludeerd dat een deel van het oorspronkelijke pakket aan oeverafzettingen is geërodeerd door een dijkdoorbraak. Indien er sprake was van een pakket oeverafzettingen gesedimenteerd tijdens de actieve perioden van twee stroomgordelsystemen (oudste fase van de stroomgordel van de Waal op de jongste fase van de Ressense stroomgordel) zullen eventueel in de top van dit pakket oeverafzettingen aanwezige archeologische resten en sporen zijn geërodeerd. Als erosie heeft plaatsgevonden tot in het pakket oeverafzettingen gesedimenteerd tijdens de actieve periode van de jongste fase van de Ressense stroomgordel (vegetatiehorizonten/laklagen (paleobodems) zijn niet aangetroffen), kan de archeologische verwachting op het voorkomen van in situ gelegen resten uit de perioden vanaf de Late-IJzertijd tot in ieder geval het moment van bedijking (10e-12e eeuw, waarna dijkdoorbraken konden plaatsvinden) al bijgesteld worden naar geen verwachting.
Tevens wordt geconcludeerd dat voor het plangebied, op basis het ontbreken van archeologische indicatoren die kunnen duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats, de hoge verwachting voor de overige archeologische perioden bijgesteld dient te worden naar geen verwachting. Ook zijn er geen antropogene lagen aangetroffen die mogelijk in relatie kunnen worden gebracht met een Romeinse weg. Mocht er sprake zijn geweest van een Romeinse weg, dan is de verwachting dat antropogene lagen hiervan (het weglichaam) ook zijn geërodeerd ten gevolge van de dijkdoorbraak. Op basis van deze resultaten is er geen aanleiding meer om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied te vermoeden.
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het plangebied geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. De aangetroffen bodemopbouw laat zien dat de oorspronkelijke top van het pakket oeverafzettingen is geërodeerd ten gevolge van een dijkdoorbraak, welke op zijn vroegst zal hebben plaatsgevonden vanaf het moment van bedijking (10e-12e eeuw). Verder ontbreekt het aan archeologisch relevante indicatoren en is van mogelijk archeologische relevante lagen of begraven bodem geen sprake (geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een oude woongrond/cultuurlaag als van vegetatiehorizonten/laklagen (paleobodems)).
Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).