Op het perceel aan de Westerdijk 9-10 is het voornemen om de huidige woning te slopen en een nieuwe woning ervoor in de plaats te bouwen. De hiervoor noodzakelijke werkzaamheden kunnen een bedreiging vormen voor eventueel aanwezige archeologische waarden. De opdrachtgever, de heer M. van het Kaar, heeft VUhbs archeologie verzocht voor het plangebied een archeologisch booronderzoek uit te voeren. Het doel van dit onderzoek is om de in het bureauonderzoek gestelde archeologische verwachting te toetsen. Uit het veldonderzoek is gebleken dat de bodemopbouw in het onderzoeksgebied bestaat uit een ophogingspakket van klei of zand, liggend op een veenpakket. Het oorspronkelijke oppervlak van dit veen is niet bewaard gebleven, en de top ligt in het plangebied tussen 100 en 260 cm onder maaiveld (1.40 en 2.90 m –NAP). Het bovenliggende ophogingspakket kent vele archeologische indicatoren, waaronder puinfragmenten, spijkers, een fragment aardewerk en fragmenten van kleipijpen. Deze zijn echter veelal niet dateerbaar. Dateerbare fragmenten van een pijpenkop uit boring 2 (125 cm onder maaiveld) wijzen op een datering in de 19de of 20ste eeuw, wat suggereert dat het plangebied tot op deze diepte nog relatief recent is verstoord. Het overige vondstmateriaal was niet te dateren, maar past bij het beeld van een ophoging in de Nieuwe Tijd. Op basis van deze bevindingen wordt het bevoegd gezag geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. De top van het veen is niet meer intact, en het ophogingspakket valt tot meer dan een meter onder maaiveld te dateren in de 19de of 20ste eeuw.