Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Geestdorp 48 te Woerden, gemeente Woerden (UT) Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Geestdorp 48 te Woerden, gemeente Woerden (UT)

DOI

Laagland Archeologie heeft in april 2023 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Geestdorp 48 te Woerden. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de nieuwbouw van een afscheidscentrum, met inbegrip van een crematorium.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied op een stroomrug. Het gaat om de Oude-Rijn post-Werkhoven stroomgordel welke actief was van 2500 v. Chr. tot 221 n. Chr. Voordat de Oude Rijn actief was, lag het plangebied in een veengebied. In de omgeving van het plangebied zijn geen archeologische resten bekend, maar er moet rekening worden gehouden met archeologische resten vanaf het Laat-Neolithicum.De ondergrond van de stroomrug wordt gevormd door oever-op-beddingafzettingen dichter aan de oever van de Oude Rijn en oever-op-veenafzettingen verder verwijderd van de oever van de Oude Rijn.Uit oude kaarten blijkt dat rekening is te houden met bodemverstoring als gevolg van bebouwing vanaf tenminste de 19e eeuw met uitbreidingen in 1950, 1988 en 1994.Vanwege de grote diepte van het pleistocene oppervlak is de archeologische verwachting voor het Laat-Paleolithicum weinig relevant. Vanaf ergens in het Mesolithicum tot in het Neolithicum raakt het plangebied overgroeid met veen en is de archeologische verwachting laag. Vanaf het Laat-Neolithicum ligt het plangebied binnen een stroomgordel. Het zuidelijke deel van het plangebied heeft een hoge archeologische verwachting vanaf het Laat-Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Het noordelijke deel heeft een lage archeologische verwachting.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat er in het overgrote deel van het plangebied oever-op-beddingafzettingen voorkomen. In het noordelijke deel is een doorgaand pakket oeverafzettingen binnen de eerste 2,0 m -mv aanwezig. Bovendien is in een boring een dempingspakket aangetroffen dat een mogelijk spoor representeert. In deze intacte opbouw zijn vrijwel overal archeologische indicatoren aangetroffen in de oeverafzettingen. De top van het archeologische niveau is aangetroffen op 20 à 70 cm -mv (1,0 à 0,51 m -NAP). Daar waar oever-op-beddingafzettingen in de ondergrond aanwezig zijn, zijn archeologische niveaus te verwachten tot 20 à 100 cm -mv. Vanwege het (waarschijnlijke) overwegend ontbreken van laklagen bevinden archeologische resten zich waarschijnlijk voornamelijk bovenin de oeverafzettingen. De afzettingen daaronder kunnen mogelijk diepe sporen bevatten, maar zijn afgezet in een te hoog energetisch afzettingsmilieu om bewoning mogelijk te maken. Bij de voorliggende plannen zullen eventuele archeologische resten heel waarschijnlijk worden verstoord.Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems).Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). De archeologische verwachting wordt gerepresenteerd door grondsporen uit de periode Neolithicum tot de Vroege Middeleeuwen. Dergelijke grondsporen zijn alleen effectief op te sporen door gravend onderzoek. Vindplaatsen uit deze periode zijn meestal zeer schaars in mobiel vondstmateriaal. Karterend booronderzoek is derhalve niet een geschikte onderzoeksmethode. Het uitgangspunt voor een het vervolgonderzoek een dekkingsgraad van minimaal 8% zijn van het gebied, waarvoor vervolgonderzoek geadviseerd is. Op basis daarvan dient tenminste ca. 1294 m2 onderzocht te worden. Enigszins rekeninghoudend met de huidige situatie en ligging van de huidige bebouwing is een indicatief sleuvenplan opgesteld (zie Bijlage 12).De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Woerden, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente, de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU).

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/DANS-278-VUAN
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/DANS-278-VUAN
Provenance
Creator J. Wijnen
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor R.C.B. Steenbak; Laagland Archeologie
Publication Year 2023
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact R.C.B. Steenbak (Provincie Noord-Brabant)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/gml+xml; application/pdf; application/zip; text/xml
Size 4338; 6071861; 25136; 3289; 1190; 1343; 1815; 830; 1597; 4827; 10326; 5262; 1851; 1148; 1678; 1831; 2038; 2143; 2025; 1266; 1624; 2134; 1391; 1984492; 978; 1602; 177302; 1445; 977; 1280; 1604425; 907; 1208; 2963; 980; 38289; 1470; 2124; 2075; 1447; 1813; 1524; 2323; 310104; 45893; 1489; 637978; 310189
Version 1.0
Discipline Humanities