Er is een poldervaaggrond aangetroffen, die in het verleden tot een diepte van ca. 70-80 cm –mv is gediepploegd. In deelgebied 5 en het noordwestelijke deel van deelgebied 3 en het zuidwestelijke deel van deelgebied 1 zijn de afzettingen geïnterpreteerd als een komafzetting, die door de lagere ligging en natte omstandigheden ongeschikt waren voor bewoning. In het zuidwestelijke deel van deelgebied 1 zijn beddingafzettingen aangetroffen, die worden afgedekt door komafzettingen. In combinatie met de hogere ligging van deze afzettingen ten opzichte van de andere deelgebieden is hier mogelijk sprake van de Huisseling-Demen stroomgordel. In het noordoostelijke deel van deelgebied 1 en in de deelgebieden 2 en 4 zijn ook beddingafzettingen aangetroffen, die soms door een lemige komafzetting worden gescheiden van de bovenliggende oever- en/of komafzettingen. Het lijkt erop dat in dit gebied sprake is van een dieper gelegen beddingafzetting van een oudere stroomgordel met daarboven oever- en komafzetting van een jongere stroomgordel (van waarschijnlijk de Maas). In de boringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen, die wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats.Op grond van het veldonderzoek kan de hoge verwachting uit het bureauonderzoek voor de perioden Bronstijd tot en met Vroege-Middeleeuwen voor alle deelgebieden worden bijgesteld naar laag. Hetzelfde geldt voor de hoge verwachting uit het bureauonderzoek voor deelgebied 1 voor de perioden Late-Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd en de hoge verwachting uit het bureauonderzoek voor de deelgebieden 1, 3 en 5 wat de Nieuwe tijd betreft. De lage verwachting uit het bureauonderzoek voor de deelgebieden 2-5 voor de Late-Middeleeuwen kan worden gehandhaafd evenals de lage verwachting uit het bureauonderzoek voor de deelgebieden 2 en 4 wat de Nieuwe tijd betreft.
Issued: 2016-11-10