In opdracht van MWPO EKWC B.V. heeft BAAC tussen 23 april en 1 november 2019 een opgraving, variant archeologische begeleiding, uitgevoerd in het plangebied Zuid-Willemsvaart 193-215, gelegen in het noordoostelijke deel van het historische centrum van ’s-Hertogenbosch. Een begeleiding betekent dat het onderzoek de contouren en ontgravingsdieptes van de nieuw te realiseren bebouwing volgt. In dit geval houdt dat in dat voor het grootste deel niet meer dan één opgravingsvlak is aangelegd, waarbij niet dieper gegraven is dan de onderkant van een (sub)
recente slooplaag. Ondanks de beperkingen die aan dergelijk archeologisch onderzoek kleven zijn mooie resultaten behaald.
Een korte schets van de geschiedenis van het plangebied De stad ’s-Hertogenbosch is ontstaan in een landschap waarin relatief hoge zandruggen worden afgewisseld met beekdalen en laag gelegen gebieden. De zandruggen zijn ontstaan gedurende de voorlaatste ijstijd toen zand werd opgeblazen en het oorspronkelijke landschap bedekt raakte met een pakket dekzand. Het plangebied bevindt zich deels ter plaatse van het stroomgebied van de Aa en deels op de helling van de dekzandrug waarop de Hinthamerstraat is gelegen. Aan het eind van de 12e eeuw stichtte de hertog van Brabant de stad ’s-Hertogenbosch op zijn domein bij Orthen. Bij de bouw van de eerste stadsmuur in de eerste helft van de 13e eeuw werd alleen het
gebied direct rondom de Markt omsloten. Wel werd in die periode ook al gebouwd buiten de muren, met name langs de belangrijkste uitvalswegen. Bij de bouw van de tweede stadsmuur werd de rivier omgeleid naar het noorden om daar dienst te doen als stadsgracht. De oude loop van de Aa werd toen in gebruik genomen als Binnendieze. Met de aanleg van de Zuid-Willemsvaart, vanaf 1822, werd de Diezetak binnen het plangebied afgesneden van de toevoer van vers water. Sindsdien heet dit deel ook wel de Doode Stroom of Doode Dieze. In 1929 is dit deel van de Dieze gedempt en werd een riool aangelegd.
Op de vroegste historische kaarten zijn de voornaamste kenmerken van het plangebied, hoewel schematisch weergegeven, al duidelijk te herkennen, met in het centrale deel de Binnendieze en in het zuidelijke deel de stegen Achter de Exters en Achter de Mollen. Langs beide stegen is bebouwing aangegeven. In de noordwestelijke hoek bevindt zich nog net een stukje van het kloosterterrein van de Broeders van het Gemeene Leven, dat hier vanaf ongeveer 1425 gevestigd was. Op de kadastrale minuut uit 1823 is de bebouwing nauwkeurig ingemeten. Het
noordelijke deel van het onderzoeksgebied is dan onbebouwd. Op het zuidelijke deel zijn meerdere kamerwoningen ingetekend langs de stegen Achter de Mollen en Achter de Exters. Ten westen van de laatste steeg bevindt zich een brouwerij op een diep perceel aan de Hinthamerstraat. Tussen de beide stegen is een grutterij gevestigd, tegen de Dieze op het achterterrein van een dubbel perceel aan de Hinthamerstraat. Op latere 19e-eeuwse opmetingen is vooral te zien dat de grutterij wordt overgenomen door een drukkerij. Deze drukkerij breidt zich uit ten koste van enkele van de kameren. In 1889 wordt de Dieze ter plaatse van de drukkerij overkluisd. Ten noorden van de Doode Stroom verschijnt vanaf 1832 de eerste bebouwing die georiënteerd is op de Zuid-Willemsvaart.
De onderzoeksresultaten Bij het onderzoek is uit boringen gebleken dat het beekdal van de Aa en de Dommel een breedte had van ongeveer 35 meter. Brokken verspoeld dekzand in de onderste aangetroffen afzettingen tonen aan dat het water in eerste instantie snel stromend was. Veen- en kleipakketten getuigen van rustiger fasen. Na een laatste reactivering is een dempingspakket aangebracht. De vroegste aangetroffen tekenen van beschoeiing van de oevers bestaan uit
meerdere delen van een kademuur, daterend vanaf de tweede helft van de 15e of de 16e eeuw. In het zuidelijke deel fungeert de Diezemuur tevens als gevel van de panden die daar zijn gebouwd. In het noordelijke deel van het terrein kon geen relatie met de bebouwing worden vastgesteld. Wel is duidelijk geworden dat de Diezemuur per perceel/eigendom werd aangelegd en onderhouden.
Ten noorden van de Dieze zijn overblijfselen aangetroffen die waarschijnlijk hebben behoord tot de zuidelijke muur van de kloosterkerk van de Gebroeders van het Gemeene Leeven of de ommuring van dat terrein. Afgaand op de stratigrafie en de gebruikte materialen dateren deze resten vermoedelijk in de tweede helft van de 15e eeuw. De overige bebouwing in dit deel van het onderzoeksgebied volgt de percelering zoals die staat weergegeven op de eerste kadastrale minuut van 1823 en is georiënteerd op de Zuid-Willemsvaart. Deels komt de bebouwing overeen
met kaartmateriaal vanaf 1889.
De vroegste aangetroffen resten van bebouwing in het zuidelijke deel van het plangebied zijn waargenomen in twee kijkgaten langs de zuidzijde van de Diezemuur. Het betreft een pakket lemen vloeren uit de late middeleeuwen,
tot in de tweede helft van de 15e eeuw. Enkele kuilen, vermoedelijk paalsporen, duiden op houtbouw. De vloeren zijn verzakt door de onderliggende beekafzettingen, waarna enkele egalisatielagen zijn aangebracht. De vroegste
bakstenen structuren in dit deel van het onderzoeksgebied dateren 1500-1650. Vanwege de geringe omvang van de kijkgaten konden de dimensies van het gebouw waartoe de vloeren hebben behoord niet worden vastgesteld. Het
merendeel van de aangetroffen structuren dateert vanaf 1650. Het betreft kamerwoningen langs de stegen Achter de Exters en Achter de Mollen. De overname van de grutterij en enkele kameren door de drukkerij, zoals opgemaakt kan worden uit de 19e-eeuwse kaarten, kwam duidelijk naar voren in de resten. Uit de nieuwe tijd zijn acht verschillende vloerniveaus onderscheiden.
Opmerkelijk in het hele onderzoeksgebied is het ontbreken van waterputten. Mogelijk heeft zich een gezamenlijke put bevonden op het terrein ten zuiden van de grutterij, maar daar zijn geen aanwijzingen voor gevonden. Hoe de
watervoorziening was tot de realisatie van de watertoren en het waterleidingnet in 1887 kon niet worden vastgesteld. Onder de achterzijde van de kameren langs de steeg Achter de Mollen bevindt zich een goot. Omdat geen tekenen van een stortkoker zijn aangetroffen heeft zich hier vermoedelijk een rooster in de vloer bevonden en diende de goot voor de afvoer van afvalwater. Bij de panden langs de steeg Achter de Exters is geen afvoer aangetroffen. Sanitaire voorzieningen ontbreken in de kameren. Vermoedelijk werd de pispot rechtstreeks in de Dieze geleegd. Vanaf de late nieuwe tijd bevindt zich in een van de kameren langs de steeg Achter de Mollen een beerput. Mogelijk is hier één van de kamerwoningen opgeofferd om als gezamenlijke sanitaire ruimte te dienen voor de overige bewoners van de kameren. De bedrijfspanden hadden in die periode elk een eigen toiletruimte met afvoer onder de steeg Achter de Exters, die loosde op de Dieze.
Adobe acrobat document, 9.0