Voor vier gemeenten, verspreid door het land en met verschillende bodemtypen en verschillende soorten teelt, is een pilot opgezet: Mag het een onsje minder zijn? Binnen de pilot wordt getracht een landelijk toepasbare methodiek te ontwikkelen waarmee de bodemverstoringen ten gevolge van agrarisch landgebruik en bodembewerking systematisch kunnen worden geïnventariseerd, geïnterpreteerd en door vertaald naar het archeologische verwachtingsmodel. De gemeenten die in de pilot worden onderzocht zijn: Neder-Betuwe, Midden-Drenthe, Eersel en Teylingen. Elk van deze gemeenten kent een specifieke soort teelt, die leidt tot een specifieke soort bodemverstoring.Dit verslag betreft het uitgevoerde bodemkundige onderzoek in de gemeente Midden-Drenthe. Midden- renthe is een gemeente met een hoge dichtheid aan akkerbouwers. Het aanplanten, verplanten en rooien van gewassen als aardappels of mais heeft impact op de bodem en kan leiden tot een verstoring in de bovenlaag. Om meer inzicht te krijgen in deze verstoringen, is binnen de pilot een veldtoets uitgevoerd. In het veld zijn 80 bodemprofiel-putten gegraven, verspreid over 20 percelen. Per profielput is de bodemopbouw en -samenstelling beschreven en de mate en diepte van (zichtbare) bodemverstoringen bepaald. Op grond van de resultaten van het bodemonderzoek in profielputten in de ondergrond van de gemeente Midden- renthe kan vastgesteld worden dat de oorspronkelijke bodem ten minste van 20 tot 55 cm –mv en ten maximale van 35 tot 130 cm –mv verstoord is. Per individueel perceel geldt een verschillende bodemsamenstelling en ook een verschillend verstoringsbeeld. In het algemeen geldt dat de oorspronkelijk aangelegde plaggendekken, op de bodemkaart aangeduid als hoge zwarte enkeerdgronden, niet als recente verstoring zijn aangemerkt in dit bodemonderzoek. Dat geldt evenzeer voor de aangetroffen ontginnningslagen.
Issued: 2014-06-27