In eerste instantie is er een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, waarbij één proefsleuf is aangelegd. Hierin zijn op 2 plekken resten van funderingen aangetroffen: van een mogelijke waterput/beerput en van een L-vormige muur. Het vermoeden was dat de muur de fundering betreft van het gebouw dat op de 19e-eeuwse kadastrale minuut staat en dat de fundering ouder is dan de kadastrale minuut (18e-eeuws, mogelijk 17e-eeuws). Het vondstmateriaal uit de lagen dateert uit de Nieuwe tijd (leisteenfragmenten, pijpenkopje, aardewerk). Dit wees erop dat er sprake is van een archeologische vindplaats uit (vermoedelijk) de 18e eeuw. Deze is als be- houdenswaardig gewaardeerd waarna er een doorstart naar een opgraving heeft plaatsgevonden.Doel van de archeologische opgraving was het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor de kennisvorming over het verle- den.De opgraving heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2022. De bovenlaag (bestrating/gras/bouwvoor) was voor- afgaand aan de opgraving reeds verwijderd. In eerste instantie zouden twee bouwputten gegraven worden, maar omdat de ruimte tussen de twee putten minimaal was is ervoor gekozen om één grote werkput aan te leggen (werkput 2). Bij de opgraving werd duidelijk dat de maximale ontgravingsdiepte voor de bouwput niet 100 cm onder maaiveld moest zijn, maar 100 cm onder peil, wat in dit geval overeenkwam met circa 70 cm beneden het maaiveld (12,30 - 12,40 m NAP). Hoewel bij het proefsleuvenonderzoek drie vlakken aangelegd zijn, volstond bij de opgraving de aanleg van één vlak op de maximale ontgravingdiepte (60-70 cm -mv). In de proefsleuf lag vlak 2 op deze diepte. Een hoger vlak (30 cm -mv) was niet nodig, omdat de in de proefsleuf op deze diepte aangetroffen bestrating van recente aard bleek te zijn, dus niet archeologisch relevant. Een dieper vlak (100 cm -mv) was eveneens niet vereist, aangezien er voor de nieuwbouw niet verder verdiept zou wor- den dan 60-70 cm -mv.Tijdens de opgraving zijn archeologische resten aangetroffen die vanaf de 14e – 15e eeuw dateren. Het zwaar- tepunt van de vondsten ligt in de 18e -19e eeuw. Het betreffen restanten van funderingen, uitbraaksporen, ophogingslagen en kuilen. De sporen horen bij de historische stadskern van Lochem waarbij er restanten van bebouwing zijn aangetroffen aan de west- en zuidzijde van het plangebied. Verwacht wordt dat er in de diepe- SAMENVATTING re ondergrond meer en oudere fases van de stedelijke- en pre-stedelijke fase van Lochem intact in de bodem zijn bewaard