In opdracht van Eneco en Lighthouse projects heeft BAAC een proefsleuvenonderzoek en een opgraving uitgevoerd in het plangebied Windenergie A16, deelgebied B-2 in de buurt van Zevenbergen, gemeente Moerdijk. Dit in verband met het bouw van een windturbine in het plangebied waarbij eventueel aanwezige archeologische waarden door de voorgenomen graafwerkzaamheden kunnen worden vernietigd.Uit de voorgaande verkennende onderzoeken was gebleken dat het plangebied zich kenmerkt als een dekzandrug, die met daarop verticaal opgebouwde veen- en kleiafzettingen is afgedekt. Deelgebied B-2 betreft dus een vindplaats met meerdere (potentiële) archeologische niveaus. Doel van onderhavig onderzoek was om de vindplaatsen te waarderen en eventueel behoudenswaardige vindplaatsen op te graven indien behoud in situ niet mogelijk was.Voorafgaand aan de opgraving was een karterend booronderzoek uitgevoerd speciaal gericht op het vinden van vuursteen. Tijdens dit onderzoek is vastgesteld dat geen grote hoeveelheden vuursteen aanwezig waren binnen de vindplaats. Deze waarneming is deels juist gebleken, maar verrassend genoeg werd er toch een grote vuursteenbewerkingsplaats aangetroffen, waaruit bleek dat drie lege boorpunten in vondstrijke vakken lagen en de grootste concentratie precies in een maas viel van het boorgrid. Deze vuursteenbewerkingsplaats (cluster 4) was dus tijdens het booronderzoek gemist. Conclusie hieruit is dat deze kleine vuursteenclusters alleen opgespoord kunnen worden door een intensief en kostbaar 2 x 2,5 m grid toe te passen.Conform het PvE is vindplaats B-2 in eerste instantie onderzocht middels waarderende transecten. Dit richtte zich in hoofdzaak op het achterhalen van aard, datering, gaafheid en verticale spreiding van de vuursteenclusters. De vakjes zijn gegraven in kruistransecten. Deze transecten zijn geplaatst op de locaties waar tijdens het booronderzoek harde archeologische indicatoren, zoals het bewerkt vuursteen, zijn aangetroffen. De resultaten van het zeefvakkenonderzoek zijn gebruikt voor de definitieve waardering. Daarbij is de geobjectiveerde waarderingssystematiek volgens de KNA gehanteerd, zoals vaststellen van een fysieke en inhoudelijke kwaliteit. De gewaardeerde clusters bleken behoudenswaardig te zijn. Vervolgens zijn verschillende vondstclusters geselecteerd voor een opgraving. Tijdens het opgraven van de vindplaats B-2 zijn archeologische resten uit het laat-paleolithicum, mesolithicum en neolithicum blootgelegd. Daarbij zijn enkele vondsten en sporen uit de middeleeuwen of de Nieuwe tijd aangetroffen.Van grote betekenis voor de regio West-Brabant was de ontdekking van enkele vuursteenclusters. Op grond van de typologische eigenschappen van het vuursteen en de 14C-dateringen kan worden aangetoond dat jagers-verzamelaars gedurende een periode in het laat-paleolithicum, vroeg – en midden mesolithicum terugkeerden naar de dekzandrug vlakbij het stromende water van de rivier Mark. Eén van de vindplaatsen (cluster 5) kende een concentratie van bewerkt Wommersomkwartsiet. Daarvan zijn er in Nederland nog maar zeer weinig wetenschappelijk gedocumenteerd.Uit de resultaten van verschillende specialistische onderzoeken blijkt dat de betreffende jager-verzamelaars een grote variatie aan activiteiten hebben uitgevoerd. Allereerst blijkt uit het vondstmateriaal dat hier aan jacht gerelateerde activiteiten zijn uitgevoerd. Aan werktuigen is in de vijf verschillende clusters een groot spectrum aan typen gebruiksvoorwerpen teruggevonden: spitsen, schrabbers, stekers, boren en, op verschillende wijze geretoucheerde, afslagen en (micro)klingen. In de clusters zijn ook associaties tussen anorganisch materiaal en de houtskool en verkoolde hazelnootdoppen vastgesteld. De verschillende vuursteenartefacten zijn gebruikt voor het bewerken van dierlijk materiaal, voornamelijk huid. Deze huiden zijn voornamelijk geschraapt, maar ook gesneden. Daarnaast zijn er zoogdieren en vissen geslacht en zijn deze ook verder verwerkt. Er zijn ook sporen gezien van het bewerken van gewei en bot. Het brede spectrum van werktuigen en de relatief grote hoeveelheden bewerkt vuursteen qua werktuigen wijst erop dat het terrein als een basisnederzetting is gebruik. Het typologisch onderzoek en 14C-onderzoek heeft aangetoond dat de onderzochte locatie niet één keer, maar meerdere malen is bezocht. Dat heeft tot gevolg dat in het geval van deze vindplaats gesproken kan worden van een palimpsest-situatie.De 14C-dateringen van enkele grondsporen en hun samenstelling wijzen op een andere fase en een andere aard van het terreingebruik in het neolithicum. In algemene termen gaat hier in deze periode om een off-site vindplaats die bestaat uit een concentratie van organisch materiaal en grondsporen. De sporen bestaan uit houtskoolrijke, ondiepe kuilen en zijn als haardkuilen geïnterpreteerd. Haardkuilen zijn in Zuid-Nederland weinig onderzocht. De kuilen kunnen waarschijnlijk in verband worden gebracht met houtskoolproductie of productie van teer. Er kan niet worden uitgesloten dat ze ook voor het bereiden en conserveren van voedsel hebben gediend. Vanwege vernatting is het onderzoeksgebied na de steentijd tot de late middeleeuwen/nieuwe tijd niet zichtbaar in gebruik geweest. In de nieuwe tijd is binnen het onderzoeksgebied een greppel aangelegd. Dit spoor komt qua oriëntatie overeen met de oriëntatie van een dijk, die op de topografisch militaire kaart uit ca.1850 te zien is. Dit brede dijksysteem ligt grotendeels ten noorden van het onderzoeksgebied.