Laagland Archeologie heeft in juli/augustus een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Asserweg 5 te Hooghalen. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de sloop een deel van de huidige bebouwing en de nieuwbouw van woningen.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Het plangebied ligt in het Drentse Zandgebied. Uit geraadpleegde paleogeografische kaarten blijkt dat tegen het einde van de laatste ijstijd het plangebied op ongeveer 600 m ten oosten van een beekdal ligt. Tussen 5500 en 3850 vindt veengroei in dit beekdal plaats. Tussen 1500 en 500 voor Chr. reikt de veengroei tot aan de noordzijde van het plangebied. Tussen 1500 en 1850 na Chr. neemt de veengroei in de omgeving van het plangebied weer af. Op de geomorfologische kaart ligt de zuidelijke helft van het plangebied op een grondmorenevlakte. Ten noorden van het plangebied ligt een beekdal en tegen de zuid- en oostzijde van het plangebied liggen grondmorene welvingen.Op het AHN is te zien dat zich tegen de noordzijde van het plangebied een laagte bevindt die overeenkomt met het beekdal dat op de geomorfologische kaart is weergegeven. Verder is te zien dat het plangebied op een overgang ligt van een lager gelegen deel ten noorden en een hoger gelegen deel ten zuiden van het plangebied. Bodemkundig ligt het noordelijke deel van het gebied op madeveengronden en het zuidelijke deel op veldpodzolgronden.In de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit het Paleolithicum tot en met het Neolithicum bekend.In historische tijden (vanaf circa 1832) werd het terrein omschreven als heide. Ook loopt een weg tegen de oostzijde van het plangebied. Rond 1929 is de noordelijke helft van het plangebied ontgonnen en in 1953 is het gehele plangebied ontgonnen als weiland. De oudste nog bestaande bebouwing in het plangebied is in 1937 gebouwd. De andere bebouwing in het plangebied is gebouwd in 1971, 1983, en 1992.Op basis van de resultaten van de resultaten van het bureauonderzoek geldt een middelhoge verwachting voor de periode Paleolithicum ? Vroeg Neolithicum.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodem grotendeels tot in de C-horizont is verstoord. Op locaties waar het dekzand relatief laag ligt kan nog een intacte bodem aanwezig zijn: in boring 3 is een B-horizont waargenomen op 160 cm -mv onder een veenpakket en in boring 9 is een restant BC-horizont gevonden van maximaal 5 cm dik. De kans dat het gebied nog archeologische resten met een intacte archeologische context bevat wordt laag geacht.Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor het aspect archeologie.Dit advies is in handen van de bevoegde overheid, de gemeente Midden-Drenthe. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, stichting Libau.Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).?