Laagland Archeologie heeft in april 2023 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Muldersveld te Makkinga. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom een bestemmingsplanwijziging.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003. Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Uit het bureauonderzoek blijkt dat het terrein ligt in een zone waar keileem relatief dicht onder het maaiveld voorkomt. In de hoger gelegen zuidzijde is de keileem afgedekt door een wat dikkere laag dekzand, waardoor de verwachting voor deze zone wat hoger is. In het gebied zijn laarpodzolgronden gekarteerd. Doordat deze gronden een dun eerddek hebben kunnen eventuele vindplaatsen onder dat dek enigszins beschermd zijn gebleven tegen ploegschade. In het onderzoeksgebied, een straal van 500m rond het plangebied is nog niet eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd. Bij niet archeologisch graafwerk in het centrum van het dorp zijn enkele laatpaleolithische werktuigen gevonden, maar ook een waterput en keramiek uit de late middeleeuwen – nieuwe tijd. Ten zuiden van het plangebied is een steentijd vindplaats aanwezig, gelegen onder een esdek.Het plangebied is bewoonbaar geweest vóór de vernatting van het gebied tot circa 2.750 v. Chr. (neolithicum) en was na het verdwijnen van het veen in de loop van de late middeleeuwen opnieuw bewoonbaar. Gedurende de bronstijd t/m de volle middeleeuwen maakte het plangebied deel uit van een uitgestrekt veenmoeras. In het plangebied heeft in de nieuwe tijd tussen circa 1820 en 1880, maar mogelijk al in 1718 een huis gestaan, zo blijkt uit oude kaarten.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid in het plangebied 30 verkennende boringen gezet. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat in de noordzijde geen podzolisatie heeft plaatsgevonden en zich onder de bouwvoor nog een venige (gyttja) achtige laagje bevindt. In het centrale deel zijn in twee boringen resten van Bh-horizonten aangetroffen, die scherp overgaan in C-horizonten. In de zuidzijde zijn geen resten van podzolbodems aanwezig als gevolg van ploegen. De kans dat in het overgangsgebied met relatief hoge grondwaterstanden als gevolg van keileem nabij het maaiveld archeologische vindplaatsen aanwezig zijn wordt klein geacht. De aangrenzende hogere gelegen zandgronden in de zuidzijde lijken een betere optie zijn geweest.In boring 5 is een sterke bijmenging met gele- en rode baksteen aangetroffen op de 19e eeuwse huisplaats. Er zijn geen bodemlagen aangetroffen die wijzen op oudere bebouwing.Op basis van het bureauonderzoek en het verkennend booronderzoek worden binnen het plangebied geen resten van archeologische vindplaatsen van vóór de nieuwe tijd verwacht. Wel zijn resten van een gebouw te verwachten dat hier tussen 1820-1880 gestaan heeft, maar mogelijk al rond 1718. We adviseren op deze locatie in het geval van toekomstige bodemverstoring een proefsleuvenonderzoek uit te voeren.Dit advies is overgenomen door de bevoegde overheid, de gemeente Ooststellingwerf.Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).