Gespecificeerde archeologische verwachtingUit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied/tracé binnen het dekzand- en beekdallandschap ligt direct ten westen van de terrasrand, welke de overgang vormt naar het ten oosten gelegen Oost Nederlandse Plateau. Hierbinnen loopt het plangebied merendeels specifiek door een gebied met een afwisseling van dekzandvlakten of -laagten en dekzandwelvingen, waarbij het centrale deel van het tracé door een meer uitgestrekt gebied van dekzandwelvingen loopt. Dekzandwelvingen zijn gebieden die wat betreft hoogteligging, reliëf en bodemvochtigheid een tussenpositie innemen in het dekzandlandschap. Het gaat meestal om relatief uitgestrekte, homogene, zwak golvende gebieden, opgebouwd uit Jong Dekzand. Vanaf het Laat-Paleolithicum werden, naast de hogere dekzandruggen en -koppen, ook wel de dekzandwelvingen gebruikt als woonplaats, begraafplaats en/of akkerland. De meeste voorkeur zal dus wel zijn uitgegaan naar de hogere dekzandruggen en -koppen als bewoningslocatie, echter ook de dekzandwelvingen waren hiervoor waarschijnlijk ook voldoende geschikt. Daarbij is tevens een kenmerk van de bewoningsgeschiedenis van Oost-Nederland is dat in de loop van de IJzertijd-Romeinse tijd-Middeleeuwen de huisplaatsen steeds plaatsvaster werden en vaak verplaatsen naar de flanken van de dekzandruggen en mogelijk voor (langere) perioden naar de dekzandwelvingen (overgangspositie), zodat een maximaal areaal aan akkerlanden benut kon worden op de hogere en van nature goed ontwaterde delen van de dekzandruggen. De lager gelegen dekzandvlakten werden gebruikt als weidevelden voor het laten grazen van vee. De dekzandvlakten en -laagten zijn dan ook de nattere en laaggelegen gebieden die in het verleden ongeschikt of minder geschikt waren voor bewoning. Het noordwestelijke deel van het tracé ligt binnen een uitgestrekt gebied van dekzandvlakten-/laagten die bedekt zijn geraakt met een pakket overstromingsklei nadat in 1250 na Chr. het gekanaliseerde deel van de Berkel was aangelegd tussen Haarlo en Borculo. Alleen het deel van het tracé langs de huidige Leerinkbeek in het zuidoosten, loopt langs de noordwestelijke begrenzing van het lokale beekdal van de Hupselsche Beek, welke voorheen uitmondde in het beekdal van de Groenlosche Slinge die in 1350 vanaf Groen-lo westwaarts is gekanaliseerd. Hieruit blijkt dat delen van het plangebied/tracé niet binnen de be-grenzing van oude beekdalen heeft gelegen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat vanaf de tweede helft van de 18e eeuw het plangebied/tracé binnen gebieden van woeste gronden/heidevelden lag dan wel in gebruik was als grasland, nabij de gekanaliseerde loop van de Berkel. Met de grootschalige ontginningen pas in de eerste helft van de 20e eeuw (jonge ontginningen) maakte vrijwel het gehele plangebied/tracé deel uit van (de buitenste begrenzing van) voornamelijk percelen grasland. Er wordt dan ook geen plaggendek verwacht en voor zover bekend heeft er binnen het plangebied/tracé geen historische bebouwing gestaan. Archeologische vondsten zijn tot op heden aangetroffen ten westen/noordwesten van het uiterst noordwestelijke deel van het plangebied/tracé, waar tevens een vrij omvangrijke dekzandrug ligt met een dik plaggendek. Dit vormt landschappelijk gezien een gunstige bewoningslocatie, waarbij het afdekkende plaggendek zorgt dat eventueel aanwezige archeologische resten. Verder is vondstmateriaal aangetroffen ten zuiden en oosten van het zuidoostelijke deel van het plangebied/tracé, waarbij het niet alleen gaat om resten/sporen gerelateerd aan de circumvallatielinie, maar ook diverse crematieurnen die binnen grafvelden zijn aangetroffen. In de nabijheid van het centraal-noordwestelijke, centrale en centraal-zuidoostelijke deel van het plangebied/tracé zijn tot op heden in zeer beperkte mate aangetroffen, waarbij wel gemeld dient te worden dat het aantal uitgevoerde archeologische onderzoeken ook zeer beperkt is.Op basis van bovenstaande uitgangspunten, en grotendeels conform de archeologische beleidskaart van de gemeenten Berkelland en Oost Gelre, geldt voor de delen van het plangebied/tracé die binnen een gebied van dekzandwelvingen liggen, een middelhoge trefkans op het voorkomen van archeologische resten uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum (zie tabel VIII). Voor de delen van het plangebied/tracé die binnen dekzandvlakten/-laagten en het overstromingsgebied van de gekanaliseerde Berkel liggen (noordwestelijke deel van het plangebied/tracé) geldt een lage trefkans. Voor de periode Nieuwe tijd geldt voor het gehele plangebied/tracé een lage trefkans trefkans, aangezien er geen aanwijzingen zijn van een ligging binnen historische erven.Conclusie en adviesHet bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied/tracé mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Er geldt een middelhoge verwachting voor de delen van het plangebied/tracé die binnen een gebied van dekzandwelvingen liggen, waar de omstandigheden in verleden mogelijk voldoende geschikt waren voor (tijdelijke) bewoning. Deze betreffen het centrale deel en delen binnen het centraal-zuidoostelijke deel van het plangebied/tracé. Geadviseerd wordt om binnen deze delen van het tracé met een middelhoge archeologische verwachting (zie figuren 17a en 17b) een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek uit te voeren direct in de gecombineerd verkennende en karterende fase (megaboringen met Edelmanboor diameter 15 cm). Omdat het plangebied de vorm van een lijnelement heeft, worden de boringen in één boorraai gezet over de hartlijn van het tracé, en met een afstand 25 meter tussen de boringen. Door middel van het zetten van deze boringen kan bepaald worden vegetatie- en/of cultuurlagen aan-/afwezig zijn die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Daar waar sprake is van een (deels) intact profiel dient de laag waar archeologische indicatoren meest waarschijnlijk kunnen worden verwacht gezeefd te worden met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Het zeefresidu dient geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. Indien uit de resultaten van het karterend booronderzoek, eventueel gecombineerd met een oppervlaktekartering, blijkt dat er sprake is van een archeologische vindplaats, dan geeft dit aanleiding om ook een aanvullend archeologisch onderzoek te laten uitvoeren.Voor de overige delen van het plangebied/tracé die binnen dekzandvlakten/-laagten en het overstromingsgebied van de gekanaliseerde Berkel liggen geldt een lage verwachting, waar de omstandigheden in het verleden ongeschikt of minder geschikt waren voor bewoning. Hier wordt vooralsnog geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren.
Date Accepted: 05-03-2021
Date Accepted: 2021-03-05