Gespecificeerde archeologische verwachtingOp basis van het archeologisch bureauonderzoek hebben de noordelijke en zuidelijke delen van het plangebied/tracé een hoge verwachting en het centrale deel een lage verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit alle periodes vanaf het Laat-Paleolithicum. Dit op basis van de landschappelijke ligging, waarbij de noordelijke en zuidelijke delen van het plangebied/tracé op een relatief hoog gelegen dekzandrug liggen met hoge bruine enkeerdgronden, en het centrale deel in een dekzandlaagte met vlakvaaggronden. Uit de periode Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd worden op de hoge dekzandruggen, die als grootschalig bouwland in gebruik waren, met name sporen van agrarisch gebruik verwacht. In deze periode verplaatsten de erven naar de randzones van de akkergebieden, op de overgang van hoog naar laag. In deze periode verplaatsten de erven naar de randzones van de akkergebieden, op de overgang van hoog naar laag. Voor de periode Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd geldt derhalve ook een hoge verwachting voor bebouwde erven in het centrale deel van het plangebied/tracé. Verder geldt specifiek voor het noordoostelijke deel van het plangebied/tracé een hoge verwachting voor resten uit de Tweede Wereldoorlog, vanwege de verwachting dat er een loopgraaf heeft gelegen, welke door het plangebied/tracé wordt oversneden. Een groot deel van het plangebied/tracé ligt binnen bestaande wegentracés, stoepen en openbare groenstroken. Door eerdere wegreconstructies en de aanleg van diverse nutsvoorzieningen is de verwachting dat er reeds grootschalige en diepgaande bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd.Resultaten inventariserend veldonderzoekDe resultaten van het inventariserend veldonderzoek (gecombineerd verkennende en karterende fase) bevestigen de reeds diep verstoorde bodemopbouw ter plaatse van delen van het plangebied/tracé die over wegdelen en stoepen/groenstroken lopen. Onder de aanwezige klinker-/tegelverharding komen alleen maar omgewerkte/teruggestorte en sterk gevlekte lagen grond voor. De onverstoorde bodemopbouw betreft direct de 1C-horizont. Restanten van de oorspronkelijke bodemopbouw zijn hier niet meer aanwezig. Ter plaatse van de delen van het plangebied/tracé die door de voortuinen van woonpercelen lopen is een veel humeuzere/humusrijke bovengrond aanwezig. Bij veel boringen reiken moderne bodemverstorende ingrepen wel tot in de oorspronkelijke top van de 1C-horizont, zichtbaar door vermenging van geel zand met het voormalige plaggendek. Het plaggendek is wel veelal van voldoende dikte om te spreken van een hoge bruine enkeerdgrond als aanwezig bodemprofiel, echter bij veel voortuinen is deze bodem door moderne bodemverstorende ingrepen omgewerkt. Een (deels) intacte bodemopbouw is aangetroffen met name in de centraal-zuidelijke en noordelijke delen van het plangebied/tracé, waarbij het gaat om een (deels intact) plaggendek met hieronder een restant van de van nature gevormde holtpodzolgrond. Het restant van deze holtpodzolbodem bevindt zich veelal tussen 50 en 100 cm. Het onderste deel van het plaggendek/op de overgang naar het restant van de holtpodzolbodem, bestaat soms uit een laag vrij vaal gekleurd, zwak humeus, matig siltig, zeer fijn zand en betreft mogelijk een oude akkerlaag/cultuurlaag. Het pakket dekzand loopt in het centraal gelegen delen van het plangebied/tracé door tot een diepte tussen circa 150 en 175 cm -mv en hieronder vindt de overgang plaats naar plaatselijk grindhoudend en grofzandige rivierterrasafzettingen. In de noordelijk en zuidelijk gelegen delen van het plangebied/tracé vindt deze overgang plaats rond gemiddeld 200 cm -mv en bij enkele boringen komen tot 220 cm -mv alleen dekzandafzettingen voor. Verder is bij enkele boringen op de overgang van de dekzandafzettingen naar de vlechtende rivierterrasafzettingen een dunne laag zandige klei aanwezig. Dit betreft een dunne Laag van Wijchen.Een reeks van vijf boringen gezet in het noordelijke deel van het plangebied/tracé en met een tussenafstand van 2 meter tussen de boringen (boringen 76 t/m 80), hebben geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van een loopgraaf uit de Tweede Wereldoorlog. Wanneer het zou gaan om de vulling van een loopgraaf is de verwachting dat deze tot grotere diepte doorloopt, tot circa 150 cm -mv (gezien de functie, waarbij een soldaat er niet meer dan met zijn hoofd boven de loopgraaf uitstak), en bestaat uit een geheel pakket van geroerde grond, waarbij de loopgraaf in één keer is dichtgeschoven. Een diep doorlopende opvulling is in géén van de boringen aangetroffen.Bij een aantal achter elkaar gezette boringen in het centraal-zuidelijke deel van het plangebied/tracé (boringen 44 t/m 48), waar ook over het algemeen sprake is van een (deels) intacte bodemopbouw, is archeologisch vondsmateriaal aangetroffen. Het gaat voornamelijk om kleine fragmenten aardewerk uit de perioden Romeinse tijd of de Vroege-Middeleeuwen en de Late-Middeleeuwen. Het vondstmateriaal is veelal afkomstig uit het onderste deel van het plaggendek en de top van de oorspronkelijke bodemopbouw, welke mogelijk ook een oude akkerlaag/cultuurlaag betreft. ConclusieOp basis van de aangetroffen (deels) intacte bodemopbouw en het vondstmateriaal in een reeks van achter elkaar gezette boringen, kan worden geconcludeerd dat er ter plaatse dan wel in de directe omgeving van het deel van het plangebied/tracé dat door de voortuinen van de woonpercelen Begoniastraat 2 t/m 12 en Tulpenstraat 13 t/m 23 loopt, sprake kan zijn van een archeologische vindplaats. Het kan gaan om menselijke (bewonings)activiteiten die terug kunnen gaan tot in de Romeinse tijd of de Vroege-Middeleeuwen. Meest waarschijnlijk gaat het om een vindplaats met sporen en resten van bewoning (houtbouw) in combinatie met landgebruik, waarbij vooral gedacht moet worden aan boerenerven (huisplattegronden van boerderijen met een omliggend erf waar diverse activiteiten werden ontplooid). De vondstenlaag ligt onderin het plaggendek en op de overgang naar de oorspronkelijke bodemopbouw (wellicht een vondststrooiing in een oude akker-/cultuurlaag), tussen gemiddeld 50 en 70 cm -mv. Archeologische sporen zullen meest duidelijk zichtbaar zijn op de overgang van de BC- naar de C-horizont, op een diepte van circa 90 cm -mv. Ook ondiep doorlopende sporen zullen intact worden aangetroffen, aangezien bodemverstorende ingegrepen zich in het algemeen beperkt hebben tot het plaggendek. Door de voorgenomen ingreep (aanleg van een warmtenetwerk met leidingwerk dat op circa 1 meter diepte komt te liggen) zal binnen dit (kleine) deel van het plangebied/tracé een mogelijk aanwezige archeologische vindplaats worden verstoord. AdviesOp grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om ter plaatse van een (klein) deel van het plangebied/tracé waar de boringen 44 t/m 48 zijn gezet (voortuinen van de woonpercelen Begoniastraat 2 t/m 12 en Tulpenstraat 13 t/m 23) een vervolgonderzoek te laten uitvoeren (zie figuur 20). Hier is archeologisch vondstmateriaal aangetroffen in een (deels) intacte bodemopbouw. Behoud van de mogelijk aanwezige archeologische vindplaats zal niet mogelijk zijn bij een niet aangepaste uitvoering van de huidige plannen. Gezien de geplande bodemingreep wordt geadviseerd de graafwerkzaamheden ter plaatse onder archeologische begeleiding te laten uitvoeren (opgraving – variant archeologische begeleiding).Voor deze archeologische begeleiding dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE dient te worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Montferland).Voor het merendeel van het plangebied/tracé wordt verder geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden, vanwege het verder ontbreken van archeologisch vondstmateriaal en de verstoorde bodemopbouw in met name de delen van het plangebied/tracé die over wegdelen en stoepen/groenstroken lopen.Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het vrij te geven merendeel van het plangebied/tracé, kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Date Accepted: 25-11-2021
Date Accepted: 2021-11-25