Synthegra B.V. heeft in opdracht van bedrijf XXX een archeologisch bureauonderzoek in combinatie met een verkennend booronderzoek uitgevoerd op een terrein aan de Dorpsstraat 8 te Sellingen. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bouw van een aantal woningen, met bijbehorende waterpartijen, verhardingen en groenvoorzieningen.
De oppervlakte van het plangebied bedraagt 7250 m2. De toekomstige bodemverstoring is zeer verspreid over het plangebied, waardoor de verwachting is dat er in vrijwel het gehele plangebied de bodem verstoord gaat worden. De diepte van de verstoring varieert van 30 cm of minder (verharding, deel groenvoorziening) tot ca. 1 meter (diep wortelende planten/bomen en gebouw) tot ca. 1,25 meter (waterpartijen) beneden maaiveld. De bodem zal waarschijnlijk tot ver in het archeologische niveau worden verstoord. Eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen daarbij verloren gaan.
Op basis van het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld.
Het plangebied ligt op een dekzandrug met mogelijk een oude bouwlanddek, met daarin een laarpodzolgrond, bestaand uit zwak lemig fijn zand.. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd.
Voor het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd geldt een hoge verwachting. Aangezien het plangebied op een dekzandrug ligt, welke volgens het AHN 0,5 tot 2,5 meter hoger ligt dan de vlakte van verspoeld dekzand en de beekdalen in de omgeving, was het plangebied naar verwachting een zeer aantrekkelijke woonplek. Een (Relatief) nabijgelegen beek maakt het plangebied een nog aantrekkelijkere woonplek. Aangezien de afzettingen binnen het gebied tevens zeer oud zijn, lag het gebied naar verwachting al gedurende het Laat-Paleolithicum (relatief) hoog. Ook volgens de beleidskaart krijgt het gebied een hoge verwachting, aangezien alleen gebieden met een aangetoonde archeologische vindplaats en gebieden in de historische kern/nabij kerken/kloosters een hogere verwachting krijgen. Op basis van de bekende archeologische waarden wordt duidelijk dat een vindplaats mogelijk is: er liggen rondom het plangebied meerdere AMK-terreinen. Deze komen echter voort uit vondsten die zijn gedaan tijdens veldkarteringen en niet archeologisch graafwerk, waardoor de precieze aard en datering van deze resten onbekend is. Op basis van het gevonden materiaal is echter wel een schatting te maken, namelijk Neolithicum – IJzertijd en Late Middeleeuwen. Onderzoeken in de omgeving zijn slechts beperkt uitgevoerd, en heeft over het algemeen slechts (voormalige) perceelsgreppels opgeleverd. In een aantal onderzoeken was de bodem verstoord. Over het geheel genomen is de kans echter wel hoog dat er archeologische resten aanwezig zijn in het plangebied, waardoor voor deze periodes een hoge verwachting geldt. De ligging net buiten de historische kern van Sellingen zorgt ervoor dat de Nieuwe Tijd geen zeer hoge verwachting krijgt. Resten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum zullen bestaan uit vuurstenenvindplaatsen en sporen van tijdelijke kampementen, en bevinden zich in de top van de laarpodzolgrond (intacte A-, E- en/of B-horizont). Resten vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd zullen bestaan uit bewoningssporen, kunnen vanaf het maaiveld worden verwacht en kunnen tevens tot diep in de C-horizont reiken.
Bodemgaafheid: op basis van de onderzochte gegevens zijn er geen aanwijzingen voor verstoringen binnen het plangebied, behalve onder en rondom het café en de woningen. Mogelijk is er wel sprake van ophoging.
Het natuurlijke bodemtype is in het hele plangebied verstoord door graafwerkzaamheden. Wat opvalt is dat het noordelijke deel van het plangebied ongeveer 0,5 meter hoger ligt dan het zuidelijke deel. Dit heeft mogelijk te maken met de afloop van de dekzandrug in zuidelijke richting, met verderop de overgang naar een beekdal. De verwachte ophoging in het plangebied is aangetroffen in de vorm van het (verstoorde) esdek.
Vuursteenvindplaatsen bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, en bevinden zich in de bovengrond van de oorspronkelijke podzolgrond. Aangezien de bodem is verstoord, zijn eventueel aanwezige vuursteenvindplaatsen verloren gegaan.
Nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd bestaan niet alleen uit fragmenten aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de C-horizont reiken en zijn mogelijk nog intact. Tijdens het booronderzoek bleek echter dat de verstoring tot minimaal 80 en maximaal 110 centimeter reikt en dat de overgang van het verstoorde esdek naar de C-Horizont was erg abrupt, wat duidt op een zeer afgetopte C-horizont. Hierdoor is de verwachting dat de kans op archeologische resten binnen het plangebied laag is.
Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied zoals omschreven in de vergunningsaanvraag geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd.
Bovenstaande vormt een selectieadvies. Met nadruk willen wij de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat in deze fase van het vergunningsverleningstraject reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek dienen vooraleerst te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Westerwolde). Deze neemt een definitief selectiebesluit aangaande de vrijgave van het plangebied voor verdere ontwikkeling zoals omschreven in de vergunningsaanvraag.
Er is getracht een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Synthegra wil de opdrachtgever er daarom op wijzen dat, indien tijdens de werkzaamheden een (mogelijke) archeologische vondst wordt gedaan dan geldt de wettelijke meldingsplicht, zoals omschreven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de minister. Uit praktisch oogpunt kan een dergelijke toevalsvondst bij de gemeente worden gemeld.